K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 13 April 2000

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel,

Case Number: A.R. 16/00

Parties: V v. B

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff)

Buyer’s Country: Netherlands (Defendant)

Goods Involved: Bowling aparatus

Status: Unpublished

  

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(a), 3, 6, 9, 14, 18, 19, 38, 39, 57 & 78

Application of the CISG - both states contracting parties

Jurisdiction - Art. 5(1) of Brussels Convention - place of performance - place of payment - residence of seller - Belgium - Belgian court has jurisdiction

Invoices to third party - does not alter contractual relationship between parties

Non-conform delivery - minor non-conformity - does not justify witholding total amount due - defendant order to pay and withold only small portion

Interest - lex contractus - Belgian law applied

 

Text of the Decision

 

Gezien de dagvaarding betekend op 17 november 1999 ;

Gezien de door partijen neergelegde conclusies en stukken ;

Gehoord de partijen ter zitting van 16 maart 2000 waarop de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen ;

 

De feiten en de vordering. Standpunten van partijen.

1.      Bij dagvaarding d.d. 17/11/1999 vordert eiseres ten aanzien van verweerster de betaling van 470.967 fr. in hoofdsom, te vermeerderen met de conventionele rente aan 12 % op 413.705 fr. vanaf 25/10/1999 en met de gerechtelijke rente op 49.645 fr., en de kosten van het geding.

Voormelde hoofdsom is samengesteld als volgt :

- saldo factuur nr. 1526 d.d. 31/08/1999 :                       413.705 fr.           

- conventionele verwijlrente (12 %) :                                  7.617 fr.

   (berekend tot 25/10/1999)

- verhogingsbeding (12 %) :                                              49.645 fr.

                                                                                      470.967 fr.

 

Kwestieuze factuur behelst de aanrekening door eiseres van de prijs voor de verkoop, de levering en de plaatsing van een Qubica-scoresysteem en een Brunswick ball-wall in de bowling van verweerster te Assen (Nederland), in uitvoering van een desbetreffend gesloten overeenkomst volgens orderbevestiging d.d. 18/5/1999 (bundel eiseres, stukken nrs. 2 en 4).

Eiseres zet in de dagvaarding uiteen dat de totale prijs 105.000 NLG bedroeg waarop 82.400 NLG betaald werd, zodat een saldo van 22.600 NLG (of 413.705 Bef.) verschuldigd blijft, dat ten onrechte door verweerster wordt ingehouden omwille van beweerde gebreken aan de beide systemen.

2.      Verweerster betwist vooreerst de bevoegdheid van deze rechtbank nu zij op grond van art. 2 EEX voor de rechtbank te Assen (Nederland) had dienen gedagvaard te worden.

Ten gronde stelt zij geen factuur van eiseres ontvangen te hebben, zodat de vordering “de plano” dient afgewezen te worden.

Ondergeschikt roept zij de exceptio non adimpleti contractus in, gezien de installatie niet afgewerkt is.

Tenslotte betwist zij de toepasselijkheid der algemene voorwaarden van eiseres nu deze geen deel uitmaken van de overeenkomst en haar niet tegenstelbaar zijn.

3.      Eiseres verantwoordt de bevoegdheid van deze rechtbank met beroep op art. 5.1 EEX.

Verweerster is tot betaling gehouden, nu de bestelling van haar uitging en de overeenkomst met haar werd afgesloten.

Verweerster roept ten onrechte de niet-uitvoeringsexceptie in gezien de aangevoerde gebreken hetzij onbestaande, hetzij aan eiseres niet toerekenbaar zijn ; bovendien wordt de exceptie niet te goeder trouw toegepast door verweerster.

De algemene voorwaarden maken deel uit van de overeenkomst nu ze afgedrukt staan op de rugzijde der orderbevestiging waar verweerster niet tegen geprotesteerd heeft.

 

Beoordeling.

1.      Bevoegdheid en toepasselijk recht.

Om de bevoegdheid van deze Rechtbank te verantwoorden beroept eiseres zich in de dagvaarding terecht op art. 5.1 van het EEX-verdrag d.d. 27/9/1968 dat voorziet dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een gebonden staat, in een andere gebonden staat kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, uitgevoerd is of moet worden uitgevoerd.

In casu vordert eiseres betaling van de prijs n.a.v. een internationale koop van roerende lichamelijke zaken.

Vermits de beide gedingvoerende partijen gevestigd zijn in verdragsluitende staten die door het Weens Koopverdrag (CISG) van 11 april 1980 gebonden zijn, dienen in casu zonder meer de territoriale toetsingscriteria van het CISG toegepast te worden, zonder een omweg via de geldende collisieregels (art. 1-1-a van het CISG ; zie J. Meeusen, “Belgisch internationaal contractenrecht in Europees perspectief”, XXVIste Postuniversitaire cyclus Willy Delva 1999- 2000, nr. 9 ; M. Traest, “De opzegging door België van het Haagse Verdrag van 15 juni 1955”, DAOR, afl. 50, 1999, blz. 46) ; het zgn. IPR-verdrag van Den Haag d.d. 15 juni 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet waarvan eiseres in de dagvaarding gewag maakt, werd overigens door België opgezegd (cf. B.S. 30 juni 1999, blz. 24535) en is alhier buiten werking sinds 1/9/1999.

Luidens art. 57 van het CISG moet de koper, in beginsel en behoudens andersluidend beding, betalen ter plaatse van de vestiging van de verkoper. Enig andersluidend beding wordt in casu niet ingeroepen ; vermits verweerster aldus dient te betalen ter plaatse van de vestiging van eiseres te Wevelgem, is deze rechtbank bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

De omstandigheid dat eiseres in casu ook voor de levering en de plaatsing van het voorwerp der overeenkomst diende in te staan (waarvoor in de orderbevestiging zelfs 5 werkdagen installatietijd was voorzien – cf. bundel eiseres, stuk nr. 2), doet aan het bovenstaande geen afbreuk, nu luidens art. 3 van het Weens Koopverdrag de aanneming van werk in beginsel gelijkgesteld wordt met een koopovereenkomst en verweerster ten dezen niet aantoont dat het belangrijkste deel van de verplichtingen van eiseres zou bestaan hebben in de verstrekking van arbeidskracht of de verlening van andere diensten (cf. J. Erauw, De eenzijdige fax en de internationale bevoegdheid inzake aanneming van werk, noot onder Kh. Turnhout, 11 oktober 1993, T.B.H., 1994, 734 e.v., inzonderheid 736-737).

Terzake het toepasselijk recht dienen, gelet op art. 1-1-a van het CISG, eveneens en zonder meer de (materiële) regels van het CISG toegepast te worden (J. Meeusen, o.c.).

2.      Uit de voorgelegde stukken blijkt overduidelijk dat de overeenkomst tussen eiseres en verweerster werd afgesloten ; de bestelling werd gedaan per telefax d.d. 20/5/1999 uitgaande van verweerster, met de uitdrukkelijke vraag aan eiseres om deze te bevestigen met inbegrip van de leverings- en betalingsvoorwaarden, welke verweerster ondertekend zou retourneren om aldus een einde te stellen “aan de verwarring welke door het driehoeksoverleg in de hand is gewerkt” (bundel eiseres, stuk nr. 1). Wat met “verwarring” werd bedoeld en op welk “driehoeksoverleg” verweerster alsdan alludeerde, is de rechtbank niet duidelijk, doch dit is uiteindelijk ten dezen irrelevant, nu verweerster duidelijk heeft doen blijken van haar wil om in eigen naam met eiseres te contracteren. Aldus heeft verweerster een voor haar bindend aanbod gedaan, dat door eiseres werd aanvaard en uitgevoerd (art. 14 en 18 CISG ; bundel eiseres, stuk nr. 2). Ten overvloede zij erop gewezen dat de enkele omstandigheid dat de factuur aan een derde werd uitgeschreven (bundel eiseres, stuk nr. 4) – overigens naar eiseres beweert op uitdrukkelijk verzoek van verweerster, hetgeen laatstgenoemde als zodanig niet tegenspreekt –, geen afbreuk doet aan de contractuele verbintenissen die verweerster door het sluiten der overeenkomst aangegaan heeft jegens eiseres ; een factuur op zich schept trouwens geen obligatoire verplichtingen.

3.      Verweerster roept de exceptio non adimpleti contractus in en voert aan dat de levering “nog steeds niet naar behoren afgerond” is (telefax d.d. 30/9/1999, bundel eiseres stuk nr. 8), ondanks een eerder bezoek op 20/9/1999 van een technicus van eiseres met als oogmerk het geïnstalleerde Qubica-systeem af te werken (bundel eiseres, stuk nr. 7 – cursivering door de rechtbank).

Inzonderheid werd eiseres op 30/9/1999 concreet en specifiek in gebreke gesteld terzake volgende punten :

-         afregeling van de middelste monitoren ;

-         installatie van een league-module ;

-         reparatie van de ball-wall (losgekomen rubbers) ;

-         levering en installatie van het logo ;

-         levering en installatie van de windows-versie van de Qubica-software

(bundel eiseres, stuk nr. 8).

Het CISG kent slechts één uniform conformiteitsbegrip (S. De Groot, “Non-conformiteit volgens het Weens Koopverdrag”, T.P.R., 1999, p. 635 e.v., inzonderheid p. 638-652) ;  in het systeem van dat verdrag wordt er géén onderscheid gemaakt tussen de vrijwaring voor verborgen gebreken en de leveringsplicht : de verkoper moet conforme goederen leveren en daarmee uit (Kh. Kortrijk, 20 april 1998, T.W.V.R., 3de jaargang, p. 70 ; H. Van Houtte e.a., Het Weens Koopverdrag, p. 124, nr. 4.36).

Anderzijds legt het CISG (art. 38 en 39) aan de koper op om de geleverde zaken, gelet op de omstandigheden, te (doen) keuren binnen een zo kort mogelijke termijn alsook, binnen een redelijke termijn, de verkoper voldoende specifiek in kennis te stellen van de vastgestelde (of normaliter vast te stellen) non-conformiteit, dit laatste op straffe van verval van zijn recht om zich op de niet-overeenstemming te beroepen.

Ten dezen dient aangenomen dat verweerster aan voormelde verplichtingen voldaan heeft en derhalve niet van haar recht vervallen is, de installatie door eiseres immers slechts einde augustus 1999 uitgevoerd en pas op 20/9/1999 “afgewerkt” zijnde.

4.      Evenwel bewijst verweerster niet dat eiseres ertoe gehouden was om de zgn. league-module en de windows-versie van de Qubica-software te leveren en te installeren. Uit de orderbevestiging (bundel eiseres, stuk nr. 2) blijkt dat enkel de basisprogramma’s in de overeenkomst begrepen waren. Derhalve kan dienaangaande geen aan eiseres toerekenbare wanprestatie weerhouden worden.

Anderzijds blijkt het logo einde september 1999 aan verweerster te zijn overgemaakt ; dit werd bevestigd in de telefax d.d. 1/10/1999 uitgaande van eiseres en verweerster heeft dat in haar antwoordfax van zelfde datum niet ontkend noch tegengesproken (bundel eiseres, stukken nrs. 9-10).

Derhalve blijven enkel nog de afregeling der monitoren en de herstelling van de rubbers der ball-wall in het geding. Uit dien hoofde een bedrag van 22.600 NLG inhouden, maakt geen correcte toepassing uit van de niet-uitvoeringsexceptie ; verweerster is immers niet te goeder trouw wanneer zij de betaling van een dergelijk hoog bedrag uitstelt, enkel omwille van minieme gebreken waarvan eiseres trouwens aangeboden heeft om ze dadelijk te komen herstellen, zij het (en niet ten onrechte !) mits betaling van een substantieel bedrag door verweerster (bundel eiseres, stukken nrs. 9-11-12).

5.      In die omstandigheden wordt verweerster reeds veroordeeld om aan eiseres een provisioneel bedrag van 350.000 Bef. te betalen, méér de moratoire rente vanaf de aanmaning d.d. 18/10/1999 (bundel eiseres, stuk nr. 14) en de gerechtelijke rente (cf. infra, nr. 6). Vervolgens dienen partijen een afspraak te maken om eiseres in de mogelijkheid te stellen de voormelde gebreken (afregeling monitoren ; losgekomen rubbers) na te zien en alsnog in orde te brengen, waarna verweerster het saldo dient te betalen. De zaak wordt inmiddels naar de bijzondere rol verwezen en het oordeel omtrent de gerechtskosten wordt aangehouden.

6.      Terzake de gevorderde aanhorigheden (conventionele rente, schadebeding) dient te worden vastgesteld dat art. 6 CISG het beginsel van de partijautonomie huldigt (de partijen kunnen de toepassing ervan uitsluiten, dan wel afwijken van de bepalingen ervan of het gevolg ervan wijzigen) en dat art. 9 CISG daarbij de bindende kracht vooropstelt van de gewoonten waarmede de partijen ingestemd hebben en van de tussen hen gebruikelijke handelwijzen. Daartegenover staat art. 19 CISG dat strikte regels inhoudt terzake van aanbod, aanvaarding en wijziging van voorwaarden, waarbij steeds volledige wilsovereenstemming nodig is vooraleer het contract tot stand komt ; daarbij geldt louter stilzwijgen niet als aanvaarding (J. Meeusen, “Totstandkoming van de overeenkomst”, in H. Van Houtte, o.c., nrs. 3.56, 3.58 en 3.60, p. 91-94 ; volgens H. Van Houtte komt de Belgische opvatting dat de factuurvoorwaarden bindend zijn omdat de koper deze stilzwijgend aanvaard heeft, zelfs op de helling te staan in het Weens Koopverdrag : zie T.B.H., 1998, 350 ; cf. Kh. Hasselt, 2 december 1998, R.W., 1999-2000, 648).

In casu ligt er geen bewijs voor dat verweerster, bij de totstandkoming van de overeenkomst, kennis genomen heeft van de algemene voorwaarden van eiseres én deze alsdan aanvaard heeft ; de algemene voorwaarden van eiseres kunnen derhalve geen toepassing vinden. Enig bewijs van een langdurige, geregelde en vooraf bestaande handelsrelatie tussen de partijen waarbij de algemene voorwaarden van eiseres door verweerster aanvaard werden als deel uitmakend van die handelsbetrekking – hetzij als gewoonte waarmede zij ingestemd heeft, hetzij als gebruikelijke handelwijze –, ligt in casu niet voor.

Eiseres kan wél aanspraak maken op rente wegens laattijdige betaling van het door verweerster verschuldigd saldo (art. 78 CISG), meer bepaald het gedeelte daarvan dat verweerster ten onrechte ingehouden heeft ; ten dezen wordt, met toepassing van de lex contractus, de Belgische wettelijke rente van 7 % per jaar toegekend (cf. H. Van Houtte, o.c., nr. 8.4, p. 277-278) vanaf de ingebrekestelling (cf. supra).

7.      Waar eiseres in de dagvaarding op stereotiepe wijze de uitsluiting vordert van de mogelijkheid tot kantonnement – wat een principieel recht is voor de schuldenaar –, dient zij te bewijzen dat de vertraging in de regeling haar aan een ernstig nadeel blootstelt en volstaat een dergelijke bewering niet. Nu hoofdeiseres terzake geen bewijzen voorlegt, kan op haar verzoek tot uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement niet worden ingegaan (zie Gent, 1ste kamer, 17 april 1997, A.R. 1997/564 inzake Mafar/Fenestra).

Gelet  op de artikelen 2 en volgende van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken ;

 

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,  wijzende in  eerste  aanleg  en  op tegenspraak,  alle verdere besluiten afwijzend of voorlopig onverlet latend,

verklaart zich bevoegd en de vordering ontvankelijk en reeds gegrond in volgende mate :

veroordeelt verweerster om aan eiseres betalen de som van driehonderd vijftig duizend franken (350.000 fr.) ten provisionele titel, te vermeerderen met de wettelijke verwijlrente van 7 % per jaar vanaf 18/10/1999 tot aan de dagvaarding en sindsdien met de gerechtelijke rente tot aan de betaling ;

verzendt de zaak voor het overige naar de bijzondere rol en houdt de beoordeling omtrent de kosten aan ;

verklaart huidig vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be