K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 4 April 2000

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: A.R. 00/00202

Case History: Sent to this Tribunal by the Rechtbank van Koophandel, Tongeren, 26 January 2000

Parties: NV G.W. v. BV B.H.

Seller’s Country:  Belgium (Plaintiff)

Buyer’s Country:  The Netherlands (Defendant)

Goods involved: Kitchen and sanitary appliances

Judges: C. Beerten, H. Leroi, P. Baert

Status: Unpublished

 

 

Classification of issues present

 

Application of CISG: No

Applicable law - Convention on the law applicable to the contracts for the international sale of goods (Hague Conference, June 15, 1955) - residence of seller - Belgium 

At time of contracting - applicable law in Belgium - Uniform Act regarding the international sale of moveable, corporeal things (The Hague, 1 July 1964)

 

Text of the decision

 

In zake

 

A.R.00/00202 <NV G.W.>, ingeschreven in het handelsregister te Tongeren (...), met maatschappelijke zetel gevestigd te 3630 Maasmechelen (...);

aanleggende partij, vertegenwoordigd door meester Peeters loco meestre Engelen, advocaat te 3630 Maasmechelen (...);

 

tegen

 

<BV B.H.>, ingeschreven in de Kamer van koophandel en Fabrieken voor Zuid-Limburg (...), met statutaire zetel gevestigd te Landgraaf (NL) en met uitbatingszetel gevestigd te 6411 LE Heerlen (NL) (...),

verwerende partij, vertegenwoordigd door meester Swennen loco meester Geurts, advocaat te 3620 Lanaken (...);

 

volgt het vonnis.

 

Gelet de inleidende dagvaarding dd 5.11.97 waarbij aanlegster de betaling vordert van verweerster van een bedrag van 301 623 fr, meer de factuurinteresten aan een rentevoet van 12% per jaar sedert de respectievelijke factuurdata en meer de kosten;

Gelet het vonnis dd 26.1.00 van de rechtbank van koophandel te Tongeren waarbij de zaak werd verzonden naar de rechtbank van koophandel te Hasselt;

Gelet op de door partijen genomen besluiten en neergelegde stukken;

Gehoord de raadslieden van partijen in hun mondelinge pleidooien ter zitting van 28.3.00;

1. Op 24.5.97 bestelde verweerster bij aanlegster een keuken en sanitaire toestellen voor de respectievelijke bedragen van 113 020 fr (6 176 NGL) en 180 803 fr (9 880 NGL).

Bij de bestelling betaalde verweerster een voorschot van 1 000 NGL.

Op 23.6.97, zijnde de datum waarop een deel van het bestelde werd geleverd, reikte aanlegster factuur 894 tbv 27 450 fr.

Op dezelfde datum betaalde verweerster een bedrag van 1 000 NGL.

Op 7.7.97, datum waarop een tweede deel van het bestelde werd geleverd, stelde aanlegster de facturen 979 en 980 voor de respectievelijke bedragen van 153 353 en 10 184.fr op (waarvan verweerster ontkent ze te hebben ontvangen).

Op 11.7.97 reikte aanlegster factuur 1019 voor een bedrag van 113 020 fr uit (waarvan verweerster ontkent ook deze factuur te hebben ontvangen).

Op 16.7.97 betaalde verweerster een bedrag van 1.250 NGL.

Op 12.8.97 stelde aanlegster een creditnota op tbv 2.354 fr.

Op 21.8.97 volgde een derde levering.

Op 27.8.97 werd het laatste gedeelte van de bestelling geleverd.

Daar verweerster niet tot kontante betaling overging, werd het geleverde terug meegenomen.

Bij brief van 29.8.97 stelde de raadsman van aanlegster verweerster ingebreke om onder aftrek van de creditnota tbv 2.354 fr over te gaan tot betaling van de facturen 1019, 979 en 980.

Bij faxbericht van 31.8.97 bekloeg verweerster zich erover dat betaling werd geëist vóór facturatie, bij de levering der goederen, hetgeen nooit zou zijn overeengekomen. In hetzelfde faxbericht wees verweerster erop dat, gelet op de gedane betalingen voor een totaal bedrag van 3.250 NGL en de waarde van de goederen die werden geleverd (min kortingen?), aanlegster een bedrag van 1.096, 92 NGL teveel had ontvangen. Tevens werd de overeenkomst mbt het nog niet geleverde geannuleerd.

Bij exploot dd 5.11.97 dagvaardde aanlegster verweerster in betaling van het nog openstaande saldo van de facturen meer een schadevergoeding en verwijlinteresten voor de rechtbank van koophandel te Tongeren.

Bij vonnis dd 26.1.00 verzond de rechtbank van koophandel te Tongeren de zaak naar de rechtbank van koophandel te Hasselt.

2. Partijen zij het niet eens welk recht dient te worden toegepast.

Volgens verweerster is het Nederlands recht van toepassing, terwijl aanlegster van oordeel is dat het Belgische recht dient te worden toegepast.

Om na te gaan welk recht van toepassing is dient te worden teruggegrepen naar het Verdrag van Den Haag van 15.6.1955.

Dit verdrag werd weliswaar dor België opgezegd doch slechts met ingang van 1.9.99 zodat het verdrag van Den Haag voor overeenkomsten afgesloten vóór 1.9.99, zoals in casu, nog dient toegepast te worden (Roox K., De vereenvoudiging van het Belgisch conflictenrecht inzake internationale koopovereenkomsten ten gevolge van de opzegging van het Verdrag van Den Haag van 1955, AJT, 1999-00, 146).

Overeenkomstig art 2 lid 1 van voornoemd verdrag wordt een internationale koopovereenkomst beheerst door de interne wet, van het door de contracterende partijen aangewezen land.

Bij gebreke hieraan, zoals te dezen, wordt de overeenkomst beheerst door de interne wet van het land waar de verkoper zijn gewone verblijf heeft op het ogenblik dat hij het order ontvangt (art.3).

Aanlegster was op het ogenblik van de ontvangst van de bestelling gevestigd te België zodat het Belgische recht van toepassing is.

Voor zover het recht dat door het Verdrag van Den Haag als van toepassing op de tussen partijen bestaande rechtsverhoudingen wordt aangewezen het recht is van een land dat het verdrag van 1.7.1964 houdende een eenvormige wet inzake de internationale koop roerende lichamelijke zaken heeft bekrachtigd (en dit was voor België tot 1.11.97 het geval - zie H. Van Houtte, Het Weens koopverdrag in het Belgisch recht, TBH, 1998, 344), dan zijn de regels van de eenvormige wet van toepassing (P. Van Hooghten, Overzicht van de Belgische rechtspraak in verband met het Verdrag houdende de eenvormige wet inzake de internationale koop van roerende lichamelijke zaken, ondertekend te Den Haag op 1 juli 1964, TBH, 1987, 168 ev) voor zover het geschil betrekking heeft op overeenkomsten ontstaan vóór 1.11.97 (H. Van Houtte, oc, 345) zoals in casu.

Zulks betekent dan ook dat huidig geschil dient beoordeeld te worden volgens de bepalingen van de eenvormige wet.

Geen der partijen heeft het geschil benaderd vanuit deze invalshoek.

De debatten worden dan ook heropend teneinde partijen toe te laten hun standpunt en meer bepaald voor eiseres haar vordering en voor verweerster haar verweer toe te lichten en te verantwoorden toepassing makend van de bepalingen, opgenomen in de eenvormige wet.

(…)

 

OM DEZE REDENEN:

de rechtbank, rechtdoende op tegenspraak:

Alvorens uitspraak te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering en tegenvordering van partijen, heropent de debatten teneinde partijen toe te laten te handelen zoals omschreven in het motiverend gedeelte van huidig vonnis;

Verzendt ten dien einde de zaak naar de bijzondere rol van deze rechtbank;

(…)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be