|
|
|
Case Identification Date
of Decision: 29 March 2000 Jurisdiction:
Belgium Tribunal: Hof
van Beroep, Gent Case
Number: 1996/AR/0370 Case
History: Appeal from Rechtbank van Koophandel, Brugge, 14 November 1995 Parties:
Oliefabriek L. v. H. & O. Seller’s
Country: France (Defendant and Respondent on Appeal) Buyer’s
Country: Belgium (Plaintiff and Appellant) Goods
Involved: Linseed Status:
Unpublished Classification
of issues present:
Application
of CISG: Yes Provisions
of CISG Applied. Arts. 6 & 31 Application
of CISG – Conflict of law rules of Belgium - Convention on the law
applicable to the contracts for the international sale of goods (Hague
Conference, June 15, 1955) – residence of seller – France – CISG
applicable in France Jurisdiction
– Brussels Convention – place where obligation (delivery) should have
been performed – place of delivery to first transporter – France –
Belgian Court does not have jurisdiction Text
of the Decision
1996/AR/0370 - In de zaak van N.V.
OLIEFABRIEK L.,
met maatschappelijke zetel gevestigd te 8810 Lichtervelde..., ingeschreven
in het handelsregister te Brugge..., APPELLANTE, hebbende als raadslieden Meester Jan Hamels en Partners..., tegen 1.
H., advokaat in Frankrijk, 60600 Clermont..., handelend in
zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van de schuldeisers (mandataire
judiciaire).over de S.A. C., vennootschap naar Frans recht, met zetel te
Ivry-Le-Temple..., in 'redressement judiciaire', woonstkiezende
ten kantore van zijn hiernavermelde raadsman, EERSTE GEINTIMEERDE Q.Q., hebbende als raadsman
Meester Thierry Willems, advokaat
to 8000 Brugge..., 2.
S.A. O., vennootschap naar Frans recht, met zetel gevestigd in
Frankrijk, 60173 Ivry-Le-Temple..., ingeschreven in het handelsregister te
Havre..., woonstkiezende
ten kantore van zijn hiernavermelde raadsman, TWEEDE GEÏNTIMEERDE, hebbende als raadsman Meester
André D'Halluin, advocaat te 8500 Kortrijk..., velt het Hof het volgend arrest: Partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten ter openbare
terechtzitting en de stukken werden ingezien. Appellante heeft tijdig en in rechtsgeldige vorm hoger beroep ingesteld
tegen het vonnis van 14 november 1995 gewezen door de rechtbank van
koophandel te Brugge, vierde kamer. VOORAFGAANDE GEGEVENS EN PROCEDURE Bij dagvaarding van 8 maart 1994 vordert de NV OLIEFABRIEK L., appellante,
de solidaire veroordeling van -
meester J.-Cl. H., advocaat te Clermont (F-Oise), in zijn hoedanigheid van
'vertegenwoordiger van de schuldeisers' ("representant des créanciers")
van de vennootschap naar Frans recht SA C., in staat van 'redressement
judiciaire' door vonnis van de rechtbank van koophandel te Beauvais (F) d.d.
14 september 1993; -
de vennootschap naar Frans recht SA O. tot betaling van 4.308.000 fr.,
meer de moratoire intresten vanaf 5 november 1993, de gerechtelijke
intresten en de gerechtskosten. De NV Oliefabriek L. legt voor dat er ingevolge offerte d.d. 2 september
1992 vanwege de SA C., tussen hen een overeenkomst is tot stand gekomen
waarbij de SA C. er zich toe verbond 2 x 1.500.000 kg. lijnzaad te leveren
in de periode September-oktober 1993 (contract 92/0090) respectievelijk
oktober-november 1993 (contract 92/0091). Volgens de NV Oliefabriek L. heeft
de SA O. de activiteit van de SA C. overgenomen. Een gedeelte van het lijnzaad m.b.t. de periode September-oktober 1993 is
door de SA O. geleverd en gefactureerd geworden. Waar volgens de NV Oliefabriek L. de voormelde gedaagden in gebreke
blijven om 286.000 kg. m.b.t. de periode September-oktober 1993 en de
totaliteit van de periode oktober-november 1993 te leveren, worden volgende
bedragen gevorderd: - m.b.t. het eerste gedeelte: 9,10 f r./kg (dagprijs lijnzaad 31.10.93) - 6,10 fr. (contractprijs) = 3
fr. 3 fr. x 286.000 kg. =
858.000 fr. - m.b.t. het tweede gedeelte: 8,40 fr./kg. (dagprijs lijnzaad 30.11.93) - 6,10 fr. (contractprijs)= 2,3
fr. 2,3 fr. x 1.500.000 kg. =
3.450.000fr. Beide oorspronkelijke verweerders, geïntimeerden, werpen voor de eerste
rechter in eerste orde de onbevoegdheid van de eerste rechter op. Met besluiten neergelegd op 25 oktober 1994 wordt door de SA O. in
ondergeschikte orde de hoofdvordering afgewezen en een tegenvordering
ingesteld tot veroordeling van de NV Oliefabriek L. tot betaling van de
tegenwaarde in Belgische frank van 29.088 Franse frank, meer de
gerechtelijke intresten vanaf 29 november 1993, op grond van factuur d.d. 19
oktober 1993 door de SA O. uitgeschreven voor een door haar uitgevoerde
laatste levering van lijnzaad. HET BESTREDEN VONNIS De eerste rechter wijst de vordering van appellante af wegens
onbevoegdheid en veroordeelt haar tot alle gerechtskosten. Hij overweegt dat de SA C. in een toestand van "redressement
judiciaire" werd geplaatst en dat appellante geen aangifte van
schuldvordering heeft verricht, zodat de vraag dient gesteld te worden of
appellante nog een vordering kan instellen tegen de SA C. Waar het antwoord
op die vraag dient gezocht te worden in de Franse wetgeving, verklaart de
eerste rechter zich onbevoegd. Verder stelt de eerste rechter vast dat er
tussen appellante en de SA O. geen enkele overeenkomst is afgesloten, zodat
art. 5,1° EEX-verdrag niet van toepassing is. GRIEVEN EN STELLINGEN VAN DE PARTIJEN Appellante houdt voor dat de eerste rechter zich ten onrechte onbevoegd
heeft verklaard. Zij werpt op dat de staat van "redressement
judiciaire" van de SA C. niet relevant is in het kader van de vraag
naar de bevoegdheid en dat, aangezien de levering van het lijnzaad in België
diende te geschieden, de Belgische rechtbanken, meer bepaald de door haar in
eerste aanleg aangesproken rechtbank, territoriaal bevoegd is. Ten gronde
houdt zij vol in haar aanspraken tegenover beide geïntimeerden en
vermindert zij haar oorspronkelijke hoofdvordering tot 4.109.006 fr. in
hoofdsom, meer de moratoire intresten vanaf 5 november 1993 en de
gerechtelijke intresten. Eerste en tweede geïntimeerden vragen in eerste orde de bevestiging van
het bestreden vonnis. Ondergeschikt betwist de SA O. de aanspraak van
appellante en herneemt zij haar oorspronkelijke tegenvordering. BEOORDELING I. a. Beide oorspronkelijke verweerders, thans geïntimeerden, hebben hun
woonplaats in Frankrijk. Uit art. 2 van het toepasselijke Europese
Executieverdrag van 27 september 1968 (EEX-verdrag) volgt dat in beginsel
appellante geïntimeerden voor de Franse rechtbank had dienen te dagvaarden. Teneinde tot de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en meteen tot de
bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Brugge te besluiten, baseert
appellante zich op art. 5,1 EEX-verdrag dat bepaalt dat de verweerder die
woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, in een
andere Verdragsluitende Staat kan worden opgeroepen, voor verbintenissen uit
overeenkomst: voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis die aan de
eis ten grondslag ligt, uitgevoerd is of moet worden uitgevoerd. b. In concreto ligt de grondslag van het door appellante beweerde recht,
nl. aanspraak op schadevergoeding, in de weigering vanwege de geïntimeerden
om nog verder lijnzaad te leveren aan appellante. Hierbij baseert appellante zich op een overeenkomst met eerste geïntimeerde;
wat tweede geïntimeerde betreft, houdt zij voor dat deze eveneens door deze
overeenkomst is gehouden. c. Eerste geïntimeerde kan niet gevolgd worden in zijn opwerping dat art.
1,2° al. punt 2 van het EEX-Verdrag van toepassing is en de eerste rechter
zich terecht op deze grond onbevoegd heeft verklaard. De vordering van appellante is gestoeld op beweerde contractbreuk van een
koopovereenkomst door beide geïntimeerden. Het betreft bijgevolg geenszins "het faillissement, akkoorden en
soortgelijke procedures", waaromtrent het EEX-verdrag onder art. 1, 2°
al. punt 2 bepaalt dat het niet van toepassing is. De vordering van
appellante jegens eerste geïntimeerde vloeit in genen dele rechtstreeks
voort uit de toestand van "redressement judiciaire" van eerste geïntimeerde. d. Voor de bevoegdheid op grond van art. 5,1° EEX‑verdrag is
beslissend de verbintenis die aan de vordering in rechte ten grondslag ligt.
Dit wil zeggen de verbintenis die de keerzijde vormt van het contractuele
recht waarop appellante zich voor haar vordering beroept. Bij vorderingen
tot schadevergoeding is dit de verbintenis waarvan de niet-nakoming aan die
vordering ten grondslag ligt. In onderhavige betwisting baseert appellante zich op de met de
overeenkomst strijdige stopzetting van verdere levering van lijnzaad, om
schadevergoeding te vorderen zowel tegenover eerste als tweede geïntimeerde. Om tot de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken en meteen tot de
bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Brugge te besluiten, dient
appellante bijgevolg aan te tonen dat de levering waarop zij aanspraak
maakt, diende te geschieden in België, meer bepaald aan haar bedrijfszetel
te Lichtervelde. e. Ten onrechte werpt tweede geïntimeerde op dat, aangezien er geen
overeenkomst met appellante was, er bijgevolg nergens diende geleverd te
worden, er aldus geen sprake kan zijn van wanprestatie in haren hoofde en
bijgevolg art. 5,1° EEX-verdrag niet van toepassing kan zijn. Appellante kan zich immers ook wenden tot het gerecht van de plaats van de
uitvoering van de overeenkomst, zelfs wanneer er tussen de partijen
betwisting bestaat over de totstandkoming zelf van de overeenkomst waarop de
vordering is gebaseerd (zie Eur.Hof Justitie, zaak 38/81 - Effer S.p.A./H.J.
Kantner - 4 maart 1982, Eur.Jurispr., 1982, blz. 825; R.W., 1982-83,
538-539). II. a. De overeenkomst waarop appellante zich baseert in haar vordering
tegenover beide geïntimeerden, is te vinden in volgende briefwisseling: ‑ brief van SA C. aan appellante d.d. 2 September 1992 met
bevestiging van overeenkomst nopens
verkoop van 3.000 ton lijnzaad aan appellante; - twee brieven van appellante zonder datum met de bevestiging van
overeenkomst tot aankoop van lijnzaad, telkens betrekking hebbende op 1.500
ton lijnzaad. b. Ingeval van de onderhavige betwisting inzake internationale koop van
roerende lichamelijke goederen zoals in casu - voor een Belgische rechtbank,
wordt de lex contractus vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het
Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955 - dat door België werd opgezegd per
19 februari 1999. Dit verdrag geldt voor België zonder
verdragswederkerigheid tegenover welk ander land dan ook. Volgens art. 2 van voormeld verdrag wordt de koop "beheerst door de
interne wet van het door de contracterende partijen aangewezen land".
Alhier dient te worden vastgesteld dat partijen expliciet noch impliciet
enig recht als toepasselijk op de koopovereenkomst, hebben aangewezen. Bij gebreke van dergelijk aangewezen recht bepaalt art. 3 van het
voormelde verdrag dat de koop-verkoopovereenkomst wordt beheerst door de
interne wet van het land, waar de verkoper zijn gewoon verblijf heeft op het
ogenblik waarop hij het order ontvangt. De verkoper is in casu de SA C. die zijn zetel heeft in Frankrijk. Dit
leidt tot de toepasselijkheid van het Franse recht. In Frankrijk is het Verdrag van Wenen d.d. 11 april 1980 van toepassing op
de onderhavige internationale koopovereenkomst die is afgesloten na de
inwerkingtreding van het Verdrag in Frankrijk (1 januari 1988). III. a. Uit art. 6 van het Verdrag van Wenen volgt dat het Verdrag suppletief
recht is: de partijen kunnen ervan afwijken. Het spreekt vanzelf dat deze
afwijking dient bewezen te orden. Uit art. 31 van het Verdrag van Wenen volgt dat, indien de verkoper niet
gehouden is de zaken op een bepaalde plaats af te leveren en de overeenkomst
tevens het vervoer van de zaken omvat, zijn verplichting tot aflevering
bestaat uit het afgeven van de zaken aan de eerste vervoerder ter verzending
aan de koper. In haar twee ongedateerde aankoopbevestigingen (stukken nrs. 2 en 3,
dossier appellante) vermeldt appellante dat het vervoer geschiedt "franco koper, gededouaneerd" (:
"transport: franco, dédouané"). Uit het gebrek van welkdanige reactie vanwege eerste geïntimeerde op de
voormelde niet gedateerde aankoopbevestigingen, dient besloten te worden dat
zij het erover eens waren dat de overeenkomst ook het vervoer omvatte. Uit wat voorafgaat volgt dat, behoudens andersluidende overeenkomst, de
aflevering geacht dient te worden verricht bij de afgifte aan de vervoerder,
met name ter bedrijfszetel van de SA C. to Ivry-le-Temple. b. Teneinde aan te tonen dat de levering bij haar zetel in Lichtervelde
diende te geschieden baseert appellante zich op haar twee ongedateerde
aankoopbevestigingen (stukken nrs. 2 en 3, dossier appellante) waarop
vermeld staat -
dat het vervoer geschiedt "franco koper, gededouaneerd" (:
"transport: franco, dédouané") en -
dat de voorwaarden van de levering in gemeen akkoord, vijf dagen vooraf
aangekondigd dienen te geschieden (: "condit.livraison: en commun
accord,
5 jrs préavis")'' Daarenboven steunt zij zich op de vermelding op de facturen vanwege tweede
geïntimeerde: "livraisons par nos soins votre usine de
Lichtervelde" (vrij vertaald: "leveringen door onze zorgen aan Uw
fabriek te Lichtervelde"). De vermelding "franco" heeft in beginsel uitsluitend betrekking
op de kosten en is niet bepalend voor de plaats waar de levering in
de juridische zin van het woord, dient te geschieden. (cfr.
Fredericq, III, nrs. 58-59, blz. 114-116). Waar de vermelding "franco" vermeld wordt onder
de rubriek van het vervoer ("transport") brengt dit met zich mee
dat de kosten van het vervoer respectievelijk de dedouaneringskosten ten
laste zijn van de verkoper. Dat de verkoper zelf het initiatief dient te
nemen tot het aanspreken van een vervoerder, heeft op voorgaande geen
invloed. De vermelding onder de leveringsvoorwaarden dat de levering dient te
geschieden in gemeen akkoord, vijf dagen vooraf mede te delen, slaat
geenszins op de plaats van levering, doch gewoon op de concrete dagen waarop
dient geleverd te worden. Uit de vermelding op de facturen vanwege tweede geïntimeerde dat de
leveringen door haar zorgen aan de fabriek te Lichtervelde zijn verricht,
kan evenmin worden besloten dat de partijen waren overeengekomen dat de
juridische aflevering pas zou geschieden te Lichtervelde en niet op het
ogenblik van de afgifte aan de vervoerder. Het gebruik van de woorden
"door onze zorgen" betekent geenszins meer dan wat in de
basisovereenkomst is gestipuleerd onder de "franco"-modaliteit. c. Waar appellante niet aantoont dat de overeenkomst waarop zij zich
baseert de leveringsplicht door de verkoper diende vervuld te zijn aan haar
zetel te Lichtervelde noch enig andere plaats, bestaat met toepassing van
art. 31 van het Verdrag van Wenen de leveringsplicht op de plaats waar de
koopwaar aan de eerste vervoerder wordt afgegeven door de verkoper op zijn
zetel. Waar zowel de SA C. als de SA O. hun zetel in Frankrijk hebben, beschikken
de Belgische rechtbanken niet over de rechtsmacht en heeft de eerste rechter
zich terecht onbevoegd verklaard. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak Toepassing makend van artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het
taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Veroordeelt appellante tot alle gerechtskosten verbonden aan onderhavige
aanleg, vastgesteld aan de zijde van eerste geïntimeerde op 16.800 fr.
rechtsplegingsvergoeding en aan de zijde van tweede geïntimeerde op 16.800
fr. rechtsplegingsvergoeding; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de twaalfde
kamer van het Hof van Beroep te Gent, rechtdoende in burgerlijke zaken, van
negenentwintig maart tweeduizend.
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |