|
|
|
Case Identification Date of Decision: 23
November 1999 Jurisdiction:
Belgium Tribunal: Rechtbank
van Koophandel,
Oudenaarde Case
Number: A.R.92/30178 Parties: C. Ltd., v. N.V. D. Seller’s Country: Belgium (Plaintiff) Buyer’s Country: England (Defendant) Goods Involved: Thread Judges: C. Gassee, P. Libert, P. Kinat Status: Published
in A.J.T., 2000-01, p. 682 Classification
of issues present Application of CISG: No Jurisdiction – Brussels Convention
art. 5(1) – place of performance - price
to be paid in country of seller (according to Uniform Sales Act) – Belgium
-Belgian court has Jurisdiction Applicable
law - CISG – not applicable at time of contracting Applicable
law - Convention on the law applicable to the
contracts for the international sale of goods (Hague Conference, June 15,
1955) – law of
residence of seller – Belgian law – Uniform Sales Act (The Hague 1 July
1964). Text
of the Decision (…) 6.
BEOORDELING a.
De bevoegdheid Eiseres op verzet is van oordeel dat de aan de eis ten grondslag liggende
verbintenis, de verkoopovereenkomst is die in Engeland diende te worden
uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 5. 1° van het E.EX Verdrag is, volgens eiseres op
verzet, de rechter aldaar derhalve bevoegd om van onderhavig geschil kennis
te nemen. Voor zover de litigieuze verbintenis inderdaad de betalingsverplichting
uitmaakt dan is eiseres op verzet evenzeer van oordeel dat de uitvoering van
deze verbintenis zich situeerde in Engeland in afwijking van de woonplaats
van verkoper zoals voorzien in artikel 59 van de Eenvormige Koopwet. De door verweerster op verzet overgelegde cheques wijzen immers uit dat
zij steeds werden getrokken op de Engelse bankier van eiseres op hoofdeis,
met name de National Westminster Bank te Blackburn. Nergens wordt enige plaats aangeduid waar de betaling diende te
geschieden. Overeenkomstig artikel 2 lid 2 van de Eenvormige Chequewet dd. 1.3.1961,
wordt in voorkomend geval de plaats aangegeven naast de naam der betrokkene,
geacht de plaats der betaling te zijn. Ook rechtsleer en rechtspraak zouden doorgaans aannemen dat de cheque
zonder aanduiding van plaats van betaling betaalbaar is ter woonplaats van
de betrokkene. Dit betekent, aldus eiseres op verzet, dat partijen, de toepassing van de
Eenvormige Koopwet stilzwijgend hebben uitgesloten (overeenkomstig artikel 3
van deze wet) minstens zijn partijen geacht te zijn gebonden aan de
gewoonten waaraan zij zich uitdrukkelijk hebben onderworpen of aan de
handelwijzen die tussen hen gebruikelijk zijn geworden, zoals bepaald in
artikel 9. Deze zienswijze kan evenwel niet worden bijgetreden. Luidens artikel 5.1° van het E.E.X Verdrag kan de verweerder die
woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat in een
andere verdragsluitende staat worden opgeroepen voor het gerecht van de
plaats die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet uitgevoerd
worden. Er kan geen twijfel bestaan over het feit dat de aan de vordering ten
grondslag liggende verbintenis de betalingsverplichting van de koper
betreft, zoals werd omschreven in het geding inleidend exploot. Om de plaats van uitvoering van deze litigieuze verbintenis te bepalen
moet eerst worden nagegaan welke wet op deze verbintenis toepasselijk is. Deze wet is niet per se de interne wet van de aangezochte rechter maar wel
de lex contractus, die door de rechter dient te worden vastgesteld volgens
de vigerende IPR-regels. (cf. E. Van Hove, "De Europese
Executieverdragen, Brussel (1968) en Lugano (1988), p. 44) Nu het in casu gaat om een verkoop door een Belgische firma aan een Britse
tapijtfabrikant, betreft onderhavig geschil onbetwistbaar een internationale
koop-verkoop. De toepasselijke IPR regels op deze rechtsverhouding worden beheerst door
het Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955. Ondanks het feit dat België het Verdrag nopens de op de internationale
koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet van 15 juni 1955
inmiddels heeft opgezegd en deze opzegging met ingang van 1.9.1999
uitwerking heeft gekregen (B.S. 30.6.1999, 24535) dienen, in casu, gelet op
de datum van de ter discussie staande verkoopovereenkomst, niettemin de in
voormeld verdrag voorkomende verwijzingsregels te worden toegepast. Dit verdrag voorziet in beginsel dat de koop wordt beheerst door de
interne wet van het door de contracterende partijen aangewezen land. Deze rechtskeuze dient echter te geschieden bij uitdrukkelijk beding of
moet onbetwijfelbaar voortvloeien uit de bepalingen der overeenkomst. De rechter mag hierbij enkel gebruik maken van intrinsieke elementen. (cf.
P. Van Hooghten, "Overzicht van Belgische rechtspraak in verband met
het Verdrag houdende een eenvormige wet inzake internationale koop van
roerende lichamelijke zaken, ondertekend te Den Haag op juli 1964",
T.B.H., 1987, 164‑200). Dergelijke uitdrukkelijke of impliciete rechtskeuze is evenwel niet
voorhanden en mag geenszins worden afgeleid uit het extrinsiek gegeven dat
de plaats der betaling zich zou situeren te Blackburn, zijnde de
vestigingsplaats van eiseres op verzet's bankier. Zij kan evenmin worden afgeleid uit de algemene verkoopsvoorwaarden van
verweerster op verzet, (waarin wordt geopteerd voor de toepasselijkheid van
Belgisch recht), die immers geenszins tegenstelbaar zijn. Bij aanvang der contractuele relatie heeft verweerster op hoofdeis bij
brief van 6.4.1987, haar ,algemene verkoopsvoorwaarden aan eiseres op
hoofdeis kenbaar gemaakt. Deze algemene voorwaarden, dienen, bij gebrek aan, enige reactie vanwege
eiseres op hoofdeis als aanvaard te worden beschouwd. Verweerster op hoofdeis heeft evenwel achteraf nieuwe factuurvoorwaarden
aan eiseres op hoofdeis opgelegd, zonder dat hieromtrent bewezen
wilsovereenstemming is aangetoond. In dit geval dient overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag van juni 1955
de interne wet van het land van de verblijfplaats van de verkoper te worden
toegepast. Nu in België het Weens Koopverdrag slechts geldt vanaf 1.11.1997 en geen
terugwerkende kracht aan dit verdrag werd verleend, worden de ter discussie
staande koopovereenkomsten beheerst door het Verdrag van 1 juli 1964
houdende de eenvormige wet inzake internationale koop van roerende
lichamelijke zaken. (cf. H Van Houtte, J. Ernuw, P. Wautelet, "Het
Weens Koopverdrag", p. 28; nr. 1.14). Artikel 59.1 .van dit Verdrag voorziet dat de koopprijs betaalbaar is ter
zetel van de verkoper, in casu te Oudenaarde. Bijgevolg is de rechtbank krachtens artikel 5.1° van het EXX Verdrag
bevoegd om kennis te nemen van onderhavig geschil. b.
Ten gronde De rechtsverhouding tussen partijen wordt, zoals gezegd beheerst door de
bepalingen van het L.U.V.I. Verdrag die door België werden goedgekeurd bij
wet van 15 juli 1970. Nu de algemene verkoopsvoorwaarden van verweerster op verzet niet kunnen
worden weerhouden, is er geen verder bewijs voorhanden dat partijen de
toepassing van dit verdrag, dat in essentie van suppletief recht is, in hun
onderlinge rechtsverhouding hebben willen uitsluiten. De Eenvormige Koopwetten voorzien in twee hoofdverplichtingen van de
verkoper te weten de aflevering van de zaak en de eigendomsoverdracht. De in het B.W. bedoelde vrijwaring voor gebreken is vervangen door de
verplichting tot aflevering van een zaak die beantwoordt aan de
overeenkomst. (cf. P. Van Hooghten, o.c. 186-188). Krachtens de artikelen 33 tot 49 heeft de koper meer bepaald het recht in
geval van niet conforme levering, hetzij de nakoming der overeenkomst te
eisen, de ontbinding van de koop te vorderen, de prijs te doen verlagen, of
schadevergoeding te vorderen (artikelen 82, 84-87), mits hij de verkochte
zaak op korte termijn heeft gekeurd of doen keuren, (art. 38) en voor zover
hij binnen korte termijn en alleszins binnen de twee jaar vanaf de afgifte
van de koopwaar over is gegaan tot protest van deze niet-conformiteit. (cf.
art. 39). De verkoper verliest luidens artikel 49, zijn rechten na verloop van éen
jaar nadat het protest is gedaan, behoudens bedrog van de verkoper. Na het verstrijken van deze termijn kan de koper zich niet meer op een
afwijking beroepen zelfs niet bij wijze van verweer. Evenwel kan de koper, voor zover hij de prijs niet heeft betaald en de
afwijking binnen termijn heeft geprotesteerd, als verweer. tegen een
vordering tot betaling een aanspraak op verlaging van de prijs of
schadevergoeding doen gelden. De verkoper is evenwel, luidens artikel 36, van zijn aansprakelijkheid
wegens niet-conforme levering zoals
bedoeld in artikel 33 eerste lid onder d, e en f ontlast, als de koper ten
tijde van het sluiten van de overeenkomst de afwijking kende of deze hem
niet had kunnen ontgaan. Terzake dient te worden vastgesteld dat eiseres op verzet, hoewel nergens
uitdrukkelijk in besluiten vermeld, in toepassing van voormelde artikelen
vergoeding van de schade vordert die zij heeft geleden, ingevolge de
gebrekkige levering. Het gebrek bestond erin dat de door verweerster op hoofdeis geleverde
garens voor een deel bestonden uit viscose die geverfd is geweest met
gebruik van directe kleurstoffen (zonder nabehandeling), met als gevolg dat
de garens, en de hiermee getufte tapijten niet kleurvast waren. Deze gebreken in de geleverde garens worden blijkbaar door eiseres op
verzet aanzien als verborgen gebreken aangezien zij beweert niet op de
hoogte te zijn geweest van de gebrekkige verftechniek en dit gebrek pas na
onderzoek aan het licht is gekomen. (cf. stuk A 16 bundel eiseres op
verzet). Een en ander heeft voor gevolg gehad dat, aldus eiseres op verzet, de met
deze gebrekkige garens getufte tapijten, zijn beginnen
"uitbloeden" met klantenverlies en ernstige financiële schade tot
gevolg. Bijgevolg dient het door eiseres op verzet ingeroepen gebrek te worden
gesubsumeerd onder artikel 33 lid 1, d, te weten de aflevering van een zaak
door de verkoper die niet de eigenschappen bezit nodig voor een normaal
gebruik of voor een gebruik voor handelsdoeleinden. De deskundigen zijn echter gaandeweg het verloop der expertise tot de
bevinding gekomen dat eiseres op verzet de gebreken in de garens kende of
minstens had moeten kennen. Op bladzijde 11 van het verslag wordt door de deskundigen opgemerkt dat
door elk contact met water; de kleurstof op of in de garens zal gaan
bloeden. Kleurstof die wel gefixeerd is zou betere resultaten geven weliswaar
zonder denderend te zijn. Het gebruik van directe kleurstoffen om de viscose te verven kan niet tot
werkelijk goede resultaten leiden. Dit gegeven moet door eiseres en verweerster op verzet als textielmensen
gekend zijn. De deskundige heeft tevens doen opmerken dat tijdens de discussie op de
expertise vergadering van 10.11.1988, tussen de Heer L. (managing director
van eiseres op verzet) en de Heer V. (voormalig aangestelde van verweerster
op verzet) is gebleken dat er problemen konden rijzen met de tapijten nu de
Heer L. zelf verklaarde dat "de problemen die zouden ontstaan wel
zouden worden opgelost door Scaldeco" - cf. p. 20). Bij herhaling wordt er door de deskundige op gewezen dat ook eiseres op
verzet de samenstelling der garens kende doch opteerde voor een goedkope,
doch risicovolle productie van tapijten deels bestaande uit direct geverfde
viscose. Zo stelt de deskundige op bladzijde 15 van het verslag: "De
aanwezigheid van viscose, die in feite voor de vlekvorming verantwoordelijk
gesteld kan worden, werd op deze vergadering door de Heer L. niet gemeld,
alhoewel hij blijkbaar scheen te weten dat dit materiaal erin zat op basis
van een analyse uitgevoerd op 14.4.1987 en overgemaakt door de Heer L. zelf
via telex van 23.4.1987 naar de Heer K. Eiseres op verzet poogt vruchteloos aan te tonen dat voorafgaand aan de
bestellingen overeenkomst bestond nopens een "merchantable
quality" van de garens. Ten bewijze hiervan legt zij echter een volkomen eenzijdig stuk voor, met
name haar schrijven dd. 22.3.1988 in antwoord op het protestschrijven van
verweerster op verzet van 21.3.1988. (cf. stuk 24 bundel eiseres op verzet). De bevindingen der deskundigen worden derhalve door niets ontkracht. De expertise verliep overigens met inachtname van de rechten van
verdediging. Zij greep plaats in aanwezigheid van alle partijen en hun
raadslieden die in de mogelijkheid werden gesteld om opmerkingen te
formuleren. Nu de deskundigen tot het besluit zijn gekomen dat eiseres op verzet de
gebreken in de garens kende of behoorde te kennen kan er bezwaarlijk sprake
zijn van enige tekortkoming in de leveringsverplichting. Artikel 36 verbiedt de koper immers zich te beklagen over een gebrek dat
hij kende of behoorde te kennen op het ogenblik der contractsluiting. Het feit dat verweerster op verzet, louter ten commerciële titel een deel
der tapijtrollen heeft teruggenomen doet hieraan geen afbreuk. Overigens dient te worden vastgesteld dat het overgrote deel van deze
rollen zwaar was beschadigd zoals werd bestatigd op 1.4 en 29.4.1988 door
gerechtsdeurwaarder L.B. en aldus waardeloos waren voor verweerster op
verzet. Eiseres op verzet verwijst ten onrechte naar de verzendingsnota's dd. 8.3
tot 10.3.1988 waaruit blijkt dat de transporteur van verweerster op verzet
de rollen (met uitzondering van een tapijtrol) zonder voorbehoud zou hebben
aanvaard en waaruit derhalve op grond van artikel 8 van de CMR zou moeten
worden afgeleid dat de rollen de magazijnen van eiseres op verzet in goede
staat hebben verlaten. Voormeld artikel vestigt immers enkel een vermoeden tegen de vervoerder
die de lading zonder voorbehoud in ontvangst neemt en kan niet worden
tegengeworpen aan de verkoper, in casu verweerster op verzet. De koopovereenkomst en de vervoerovereenkomst zijn immers twee
onderscheiden contracten. Bijgevolg is de vorderingwan eiseres op verzet voor zover zij betrekking
heeft op het bekomen van schadevergoeding ongegrond. Eiseres op verzet dient echter wel te worden gevolgd waar zij opwerpt dat
de aankoopprijs der garens volkomen eenzijdig door verweerster op verzet
werd verhoogd tot 125 Fr. per kg. Nergens blijkt immers dat partijen in afwijking van het eerder
overeengekomen bedrag van .115 Fr. per kg, zoals blijkt uit de geplaatste
bestellingen (stukken A2 - A4), een nieuwe prijs waren overeengekomen. De door eiseres op verzet gevorderde debet factuur dd. 5.11:1987 (stuk D1)
is echter niet toewijsbaar nu onmogelijk kan worden uitgemaakt op welke der
negen facturen, uitgaande van verweerster op verzet; zij betrekking heeft. De door verweerster op verzet gevorderde hoofdsom van 7.168:130 Fr. dient
derhalve te worden verminderd met het bedrag van 446.322 Fr. Bovendien kan geen toepassing worden gemaakt van de in de algemene
verkoopsvoorwaarden voorziene conventionele rente en het schadebeding nu
niet is bewezen dat deze verkoopsvoorwaarden door eiseres op verzet werden
aanvaard. Nu verweerster op verzet, in toepassing van het hierboven vermeld artikel
82 van de Eenvormige Koopwet, geen andere schadevergoeding vordert en de
rechtbank niet vermag ultra petita te statueren, kan enkel de hieronder
vermelde moratoire rente worden toegekend. Overeenkomstig artikel 63.2 en 82 van de Eenvormige Koopwet is verweerster
op verzet gerechtigd op intresten tegen het officieel disconto van het land
waar de verkoper zijn vestiging heeft vermeerderd met 1% doch met een
maximum van 12% teneinde geen veroordeling ultra petita uit te spreken. De Eenvormige Koopwet stelt deze intresten niet afhankelijk van het
versturen van een ingebrekestelling; desalniettemin acht de rechtbank de
intresten slechts verschuldigd vanaf de ingebrekestelling gelet op de
bewezen overfacturatie. OM
DEZE REDENEN, DE
RECHTBANK, rechtdoende op tegenspraak, Verklaart het verzet ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate; Verklaart de vordering van verweerster op verzet ontvankelijk en gegrond
in de hierna bepaalde mate; Trekt het bestreden vonnis in en opnieuw wijzende: Zegt voor recht dat de beide debetnota's dd. 18.12.1987 en 16.3.1988
uitgaande van eiseres op verzet oorspronkelijk verweerster tot beloop van
466.322 Fr. verschuldigd zijn Zegt voor recht dat de negen facturen uitgaande verweerster op verzet -
oorspronkelijke eiseres tot beloop van 7.168.130 Fr, verschuldigd zijn. Dienvolgens, na compensatie, veroordeelt eiseres op verzet -
oorspronkelijk verweerster om te betalen aan verweerster op verzet -
oorspronkelijk eiseres de som van ZES,
MILJOEN ZEVENHONDERDEENENTWINTIGDUIZEND ACHTHONDERD EN ACHT FRANK (6.721.808
Fr,) te vermeerderen met moratoire rente aan de respectievelijke gangbare
officiële Belgische discontovoet vermeerderd met 1% met een maximum van 12%
vanaf 213.1988 verminderd met de op 6.7.1992 verrichte betaling van
6.095.000 Fr. en met inachtname van de bepaling van artikel 1254.B.W. Veroordeelt eiseres op :verzet tot de kosten van de verstekprocedure
alsmede tot de kosten van de kortgedingprocedure en expertise; begroot deze
in hoofde van verweerster op verzet - oorspronkelijk eiseres volgens opgave
in het oorspronkelijk verstekvonnis op de som van 186.129 frank. Veroordeelt eiseres op verzet tot 4/5 van de kosten van het verzet en
verweerster op verzet tot 1/5; begroot deze in hoofde van eiseres op verzet
volgens opgave op de som van 23.030 frank (verzetsexp.: 11.030 Fr..+.RPV:
12.000 Fr.) en in hoofde van verweerster op verzet op de som van 2.100 frank
aanvullende rechtsplegingsvergoeding. Verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elke
voorziening en zonder borgstelling; (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |