K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

Date of Decision: 27 October 1999

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: A.R.: 2543/99

Parties: G.-H.F. v. A.I.L.

Seller’s Country: Belgium (Plaintiff)

Buyer’s Country: Sweden (Defendant)

Goods Involved: Second hand vehicle

Judges: P. Vanhelmont, G. Mertens, P. Driesen

Status: Published in Algemeen Juridisch Tijdschrift, 1999-2000, 383

  

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts. 1(1)(a) & 57

Jurisdiction – Brussels Convention arts. 5(1), 17 and 20 – forum clause on invoice not valid – place of performance – Belgium

Application of the CISG – CISG applicable in Belgium and Sweden

Judgment by default

  

Text of the Decision

 

(…)

 

IN FEITE:

 

Eiser heeft op 8 januari 98 een tweedehands voertuig Chevreloet CT verkocht aan verweerster en daartoe een factuur opgesteld onder nr. 5005 voor een 702.500,- BEF. Verweerster laat na het saldo te betalen ondanks ingebrekestellingen door de raadsman van eiser van 18 augustus 98.

De factuur voorziet in algemene voorwaarden in het Nederlands en in het Frans dat ingeval van betwisting alleen de rechtbanken van het gebied van de zetel van eiser bevoegd zal zijn en dat de facturen kontant betaalbaar zijn ter zetel van eiser.

Eiser is van oordeel dat de Belgische rechtbanken rechtsmacht hebben omdat het Weens Koopverdrag van toepassing zou zijn en op basis van art. 635 lid 3 Ger. W.

 

Beoordeling:

 

Ter zake is het EEX van toepassing, zoals gewijzigd door het verdrag van San Sebastian. Zowel België als Zweden zijn verdragsluitende staten bij dit EEX. De regeling van het EEX gaat deze van art. 635 e.v. Ger.W. vooraf als hiërarchisch hogere norm.

Overeenkomstig art. 20 EEX dient de rechter zich onbevoegd te verklaren wanneer de verweerder met woonplaats op het grondgebied van een verdragsluitende staat voor een gerecht van een andere verdragsluitende staat wordt opgeroepen en niet verschijnt, indien zijn bevoegdheid niet berust op de bepalingen van het verdrag.

Ter zaken zou de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken kunnen gebaseerd zijn op art. 17 EEX. Dat geeft rechtsmacht aan het gerecht van een verdragsluitende staat dat de partijen hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan. Art. 17 bepaalt verder hoe de overeenkomst dient gesloten te worden. Voor dit geschil is van belang dat deze overeenkomst kan worden gesloten in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden. Dit betekent dat partijen onderworpen zijn aan forumbedingen die voorkomen in hun algemene voorwaarden waaraan ook hun vroegere transacties waren onderworpen. Indien partijen geregeld geconfronteerd worden met dezelfde voorwaarde, worden zij vermoed om - behoudens laakbare onzorgvuldigheid - kennis te hebben gekregen van het forumbeding dat in deze algemene voorwaarden is vervat. Indien zij hiertegen nooit hebben geprotesteerd, zijn zij verondersteld met het forumbeding te hebben ingestemd (Van Houtte, H., Uitsluitende Bevoegdheidsgronden in Van Houtte H en Pertegás Sender, M., Europese ipr-verdragen, Acco, Leuven, 1997, 55, randnummer 2. 22).

Ter zake zijn nochtans geen andere transacties tussen partijen aangetoond dan deze die het voorwerp uitmaakt van dit geschil, minstens wordt daar van geen melding gemaakt, zodat het bevoegdheidsbeding in de algemene voorwaarden van de litigieuze factuur niet beantwoordt aan art. 17 EEX.

Overeenkomstig art. 5.1 EEX kan de verweerder die woonplaats heeft in een andere verdragsluitende staat worden opgeroepen voor de gerechten van een andere verdragsluitende staat ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst voor het gerecht van de plaats, waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet uitgevoerd worden.

Nog op 28 september 1999 heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (in zake C-440/97, GIE Groupe Concorde e.a., nog niet gepubliceerd in Jur.), herhaald dat de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd in de zin van art. 5.1 EEX wordt bepaald overeenkomstig het recht dat volgens de collisieregels van de aangezochte rechter van toepassing is (H.v.J., 6 oktober 1976, inzake Tessili, Jur., 1976, 1473) welk recht bepalingen van een verdrag houdend een eenvormige wet kan omvatten (H. v. J., 29 juni 1994, inzake Custom Made Commercial, Jur., 1994, I, 2913 ; R.W., 1994-95, 581), tenzij partijen deze plaats zelf bepalen door middel van een clausule die volgens het nationale recht dat de overeenkomst beheerst, geldig is (H.v.J., 17 januari 1980, inzake Zelger, Jur., 1980, 89 ; J.T., 1980, 314) onder voorbehoud dat die plaats een reëel verband houdt met de inhoud van de overeenkomst (H. v.J., 20 februari 97, inzake M.S.G., Jur., 1997, I, 911, punten 30 en 31).

De eis heeft betrekking op de betaling van facturen uitgeschreven ten gevolge van een verkoop door eiser.

Ter zake gaat het om een verkoop van een roerende lichamelijke zaak. In België geldt sinds 1 november 1997 in dat verband het Weens Koopverdrag. Ook in Zweden is sinds 1 januari 89 het Weens Koopverdrag van toepassing, zoals eiser terecht laat gelden. Wanneer de landen waar koper en verkoper gevestigd zijn op het ogenblik dat zij de verkoop sloten verdragsstaten zijn van het Weens Koopverdrag dan dient de Belgische rechter het Weens koopverdag toe te passen (Art. 1 lid a verdrag).

Overeenkomstig art. 57 van het Weens koopverdrag moet de koper de koopprijs betalen in de vestiging van de verkoper, d.w.z. in België. Gelet op deze verplichting is het overbodig te onderzoeken of de verkoper de plaats van betaling ook kon opleggen via zijn algemene voorwaarden. Vermits nu gebleken is dat de verweerder de verbintenis die aan de eis tot grondslag ligt in België moet uitvoeren hebben de Belgische rechtbanken nationale rechtsmacht.

De eis is bij gebrek aan verweer gegrond.

Nu het om een niet-geprotesteerde factuur gaat, wordt het vonnis uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

 

OM DEZE REDENEN,

beslist de rechtbank, na beraadslaging, bij verstek:

verklaart de eis toelaatbaar en gegrond,

veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van (…),

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad ondanks alle verhaal en zonder borgstelling 

(...)

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be