K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 4 October 1999

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: A.R. 584/98

Parties: BVBA K. v. V. BV

Seller’s Country:  Belgium (Plaintiif)

Buyer’s Country: The Netherlands (Defendant)

Goods involved: Repair of meat cutting machine and sale of related products

Judges: B. Ponet, J. Vermeire, Hoedemakers

Status: Unpublished

 

 

Classification of issues present

 

Application of CISG: ?

Jurisdiction - forum clause in general conditions - long trade relationship - valid  

Applicable law - parties chose Belgian - Belgian law applicable

Service contract - sale of thing to be made - is CISG applicable? - debates reopened

 

Text of the decision

 

In zake

 

A.R.584/98 <BVBA K.>, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt (...), met maatschappelijke zetel gevestigd te 3530 Houthalen-Helchteren (...)

aanleggende partij, vertegenwoordigd door meester Bouts loco meester DEUSS, advocaat te 3740 Bilzen (...).

 

tegen

 

<V. BV> , vennootschap naar Nederlands recht, ingeschreven in het H.R. te Tilburg (...) met maatschappelijke zetel gevestigd te 5111 EW Baarle-Nassau (NL) (...);

verwerende partij, vertegenwoordigd door meester Koks J., advocaat te 12300 Turnhout (...).

 

volgt het vonnis.

 

Bij gedinginleidend dagvaardingsexploot dd. 9 januari 1998 betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder B. Heines met standplaats te Hasselt vordert aanlegster betaling vanwege verweerster van het bedrag van 150.839 fr. in hoofdsom, te vermeerderen met de conventionele intresten aan 12% op 127.232fr vanaf 16 oktober 1997.

Verweerster legt besluiten neer op 31 maart 1998 waarin hij een tegeneis instelt strekkende tot het vorderen van schadevergoeding die begroot wordt gelijk aan de door aanlegster gevorderde bedragen.

Aanlegster legt besluiten neer op 2 april 1998. Aanlegster legt aanvullende besluiten neer op 8 juni 1998.

Verweerster legt aanvullende conclusies neer op 13 januari 1999.

Verweerster legt tweede aanvullende conclusies neer op 17 mei 1999 waarin zij een tegenvordering instelt strekkende tot terugbetaling van het bedrag van 8.539,28 Ned.gulden.

Aanlegster legt tweede aanvullende besluiten neer op 25 augustus 1999.

Ter zitting van 20 september 1999 is mr.P.Bouts loco mr. Deuss verschenen voor aanlegster en mr.J.Koks voor verweerster. Mr.Koks heeft derde aanvullende conclusies neergelegd. Mr.Koks en mr. Bouts hebben gepleit, hun besluiten gehandhaafd en een bundel overtuigingstukken neergelegd.

 

1. DE FEITEN

Aanlegster heeft een aantal herstellingswerken uitgevoerd aan, een vleessnijmachine van verweerster, waarbij aanlegster tevens diverse goederen leverde, zoals o.m. een rollager, messen, spanplaten, kabels e.d.

Aanlegster factureerde de door haar verrichtte leveringen en de door haar gepresteerde diensten op 21 februari 1997 bij middel van factuur nr. 1225 en op 22 februari 1997 bij middel van factuur nr. 1226.

Verweerster betwist klaarblijkelijk de door aanlegster verrichte facturatie, waarna aanlegster een creditnota opstelt op 8 juni 1997 nr.1290, waarbij o.m. een spanplaat en een geleiplaat in mindering worden gebracht.

Verweerster betwist nadien nog steeds de door aanlegster verrichte facturatie.

Aanlegster stelt verweerster dan ook in gebreke bij schrijven dd.6 september 1997 en 25 september 1997.

Bij schrijven dd.27 september 1997 betwist verweerster de door aanlegster verrichtte facturatie om reden dat de rollager en de werktijden dubbel zouden aangerekend zijn. Bij schrijven dd.8 oktober 1997 stelt de raadsman van aanlegster verweerster nogmaals in gebreke.

De achterzijde van de facturen van aanlegster vermelden algemene verkoopsvoorwaarden, waarvan artikel 15 als volgt luidt: "Alleen de Rechtbanken te Neerpelt en Hasselt zijn bevoegd bij betwisting, zelfs in geval van eis tot waarborg of in het geval van verschillende verweerders .... Iedere betwisting betreffende dit contract wordt uitsluitend geregeld volgens het Belgisch recht."

Aanlegster en verweerster hebben reeds een handelsrelatie sedert juli 1994 zoals blijkt uit de door aanlegster bijgebrachte lijst verkoopfacturatiehistorie van verweerster.

 

11. HET STANDPUNT VAN PARTIJEN

1. De ontvankelijkheid van de vordering

- Verweerster stelt dat de vordering van aanlegster onontvankelijk zou zijn nu aanlegster zowel een vestiging te Helchteren zou hebben als te Valkenswaard. Verweerster zou gecontracteerd hebben met de vestiging van aanlegster te Valkenswaard hetgeen bevestigd wordt door het feit dat de facturen in Nederlandse guldens werden opgesteld. De vordering van de Belgische vennootschap zou dan ook onontvankelijk dienen verklaard te worden.

- Aanlegster is daarentegen van oordeel dat haar vordering ontvankelijk is nu de facturen en het werkorder uitgingen van de BVBA K. De facturen van aanlegster zijn, integenstelling tot wat verweerster beweert, zowel in Belgische frank als in Nederlandse gulden opgesteld. De maatschappelijke zetel van aanlegster is gelegen in België. Aanlegster heeft enkel een postbusadres in Nederland, te Valkenswaard, teneinde gemakkelijk bereikbaar te zijn voor haar Nederlandse klanten. De vordering van aanlegster is dan ook ontvankelijk.

 

2. De bevoegde rechtbank

- Verweerster stelt dat de Belgische Rechtbanken niet bevoegd zijn gezien zij een Nederlandse vennootschap is.

Enkel de Nederlandse Rechtbanken zouden bevoegd zijn.

Verweerster betwist dat aanlegster zich op het forumbeding vermeld in de algemene voorwaarden zou kunnen beroepen.

Niettegenstaande partijen reeds een jarenlange handelsrelatie hebben, betreft huidig geschil een aparte rechtshandeling, zodat het bevoegdheidsbeding in de algemene voorwaarden niet ingeroepen kan worden door aanlegster.

De Belgische Rechtbanken zouden dan ook niet bevoegd zijn.

Verweerster betwist dat aanlegster zich op artikel 17 van het E.E.X.-verdrag kan beroepen nu de voorwaarden van dit artikel niet van toepassing zijn om van een geldige overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter te kunnen.spreken.

- Aanlegster is daarentegen van oordeel dat de Rechtbank van Koophandel te Hasselt wel degelijk bevoegd is op grond van het forumbeding vermeld in artikel 15 van de algemene voorwaarden van de factuur van aanlegster.

Aanlegster refereert tevens aan de jarenlange handelsrelatie tussen partijen zodat de algemene voorwaarden vermeld aan de achterzijde van de factuur van aanlegster als aanvaard dienen beschouwd te worden.

Aanlegster verwijst naar artikel 17 van het E.EX-verdrag teneinde de geldigheid van haar forumbeding te benadrukken. Het bevoegdheidbeding vermeld in haar algemene voorwaarden zou geldig zijn nu partijen een continue handelsrelatie hadden hetgeen blijkt uit de door aanlegster bijgebrachte verkoopfactuurhistorie van verweerster.

3. Het toepasselijk recht

- Verweerster is van mening dat enkel het Nederlandse recht dient toegepast te worden vermits de contracterende partijen Nederlandse vennootschappen zijn en alle prestaties in Nederland gebeurden.

- Aanlegster verwijst evenwel naar artikel 15 van haar algemene voorwaarden, waarin gesteld wordt dat het Belgisch recht van toepassing is.

 

4. Ten gronde

4.1. De hoofdeis.

- Verweerster betwist gehouden te zijn tot betaling van de facturen nrs. 1225 en 1226. De werken zouden door aanlegster slecht uitgevoerd zijn hetgeen bevestigd wordt door de creditnota nr.1290 van aanlegster. De factuur nr. 1226 zou bovendien dubbel gebruik uitmaken met de factuur nr.1225. Zelfs na de herstellingswerken die aanleiding gaven tot de factuur nr.1226 zou het toestel niet gewerkt hebben. Verweerster heeft de facturen dan ook mondeling en telefonisch geprotesteerd hetgeen bevestigd wordt door het opstellen van de creditnota nr.1290 en door de tweede facturatie nr.1226, die opgesteld werd na de factuur nr.1225. Verweerster heeft schriftelijk geprotesteerd bij schrijven dd.27 september 1997. Ondergeschikt stelt verweerster dat zij maximum gehouden is tot betaling van het bedrag van 82.279fr. Zij betwist het door aanlegster aangerekende schadebeding en de intresten die herleid zouden dienen te worden tot 10%.

- Aanlegster is van oordeel dat de facturen nrs.1225 en 1226 integraal verschuldigd zijn vermits de facturen niet geprotesteerd werden door verweerster. Zelfs na het opstellen van een creditnota nr.1290 volgde geen betaling van verweerster. Ook na de ingebrekestellingen van aanlegster volgde geen betaling.

Pas bij schrijven dd.27 september 1997 stelde verweerster voor om een bedrag van 75.316fr te betalen. Aanlegster betwist dat er sprake zou zijn van dubbele facturatie en meent dat haar vordering integraal gegrond dient verklaard te worden met inbegrip van het schadebeding en de intresten, die in overeenstemming zijn met haar algemene voorwaarden.

 

4.2. De tegeneis.

- Verweerster stelt een tegeneis in wegens de schade die zij zou geleden hebben ten gevolge van de onbruikbaarheid van het toestel voor de periode van 27 januari 1997 tot 8 juni 1997. De door haar geleden schade begroot zij op het bedrag van de hoofdvordering. Ondergeschikt vordert verweerster dat een persoonlijke verschijning zou bevolen worden van partijen, een deskundige aangesteld worden en/of een getuigenverhoor zou plaatsvinden.

- Aanlegster betwist de tegeneis van verweerster en stelt dat de door verweerster gevorderde schadevergoeding niet bewezen is. Aanlegster verzet zich tegen een persoonlijke verschijning van partijen, tegen een getuigenverhoor en tegen een aanstelling van een deskundige.

- Inmiddels heeft verweerster een betaling geschied ten bedrage van 8.539,28 Nederlandse gulden, zijnde de hoofdsom van factuur nr.1225. In haar tweede aanvullende conclusies stelt verweerster een nieuwe tegenvordering in waarbij zij vordert dat het bedrag van 8.539,28 Nederlandse gulden zou dienen terugbetaald te worden door aanlegster, gezien het een onverschuldigde betaling zou betreffen. Aanlegster betwist deze nieuwe tegenvordering.

 

III. BEOORDELING

1. De bevoegdheid.

De Rechtbank stelt vast dat aanlegster een Belgische vennootschap is, terwijl verweerster een Nederlandse B.V. is.

Op grond van artikel 2 lid 1 van het E.E.X.-verdrag van 27 september 1968 geldt als algemene regel betreffende de rechterlijke bevoegdheid dat zij, die woonplaats hebben op het grondgebied van een verdragsluidende staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen worden voor de gerechten van die staat.

Van deze algemene regel kan afgeweken worden door een forumkeuzebeding. De geldigheid van een forumkeuzebeding wordt beoordeeld aan de hand van artikel 17 van het E.E.X.-verdrag. Artikel 17 lid 1 van het E.E.X.-verdrag aanvaardt de geldigheid van een bevoegdheidsbeding indien de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter als volgt gesloten werd:

a)      Hetzij bij een schriftelijke overeenkomst hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst;

b)      Hetzij in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden;

c)       Hetzij in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht wordt genomen.

De Rechtbank stelt vast dat aanlegster verwijst naar het feit dat partijen een continue handelsrelatie hadden sedert juli 1994.

Verweerster betwist geenszins dat de betrokken facturen melding maken van de algemene voorwaarden aan de achterzijde van deze facturen.

Terecht werd reeds geoordeeld in de rechtspraak dat een niet-geschreven aanvaarding van een forumbeding toelaatbaar is wanneer het akkoord van de partijen een onderdeel vormt van de lopende handelsbetrekkingen tussen de partijen die beheerst worden door de algemene voorwaarden van één der partijen waarin dit bevoegdheidsbeding voorkomt. (Luik, 25 november 1997, T.B.H., 1998, 393)

In dezelfde zin werd geoordeeld dat een bevoegdheidsbeding in factuurvoorwaarden slechts aan artikel 17 E.E.X.-verdrag beantwoordt wanneer een mondelinge overeenkomst tot stand komt bij courante handelsbetrekkingen waarbij bovendien bewezen is dat die handelsbetrekkingen beheerst worden door de factuurvoorwaarden. (Kh.Hasselt, 19 maart 1997, T.B.H., 1997, 464)

De Rechtbank sluit zich bij deze rechtspraak aan.

De Rechtbank stelt vast dat tussen aanlegster en verweerster lopende handelsbetrekkingen bestonden, waarbij de algemene voorwaarden door verweerster gekend en (minstens stilzwijgend) aanvaard waren.

Aanlegster kan zich bijgevolg beroepen op het forumbeding vermeld in haar algemene voorwaarden.

De Rechtbank van Koophandel te Hasselt is dan ook bevoegd.

 

2. De ontvankelijkheid van de vordering.

De Rechtbank stelt vast dat zowel de facturen als de werkorders van aanlegster opgesteld zijn op naam van aanlegster zelf. Hierbij wordt weliswaar zowel een zetel in België (Helchteren) als in Nederland (Valkenswaard) vermeld. De hoofdsom van de factuur wordt in hoofdorde in Belgische frank aangegeven, zij het dat het bedrag tevens in Nederlandse gulden wordt vermeld. Uit het enkel feit dat aanlegster tevens een zetel in Nederland aangeeft en het bedrag in Nederlandse gulden opsomt, naast de vermelding van het bedrag in Belgische frank, kan geenszins afgeleid worden dat verweerster gecontracteerd heeft met een zgn. Nederlandse vestiging van aanlegster. Het is wel degelijk aanlegster zelf die met verweerster gecontracteerd heeft, zodat de vordering van aanlegster ontvankelijk is.

 

3. Het toepasselijk recht.

De Rechtbank stelt vast dat aanlegster zich beroept op de toepasselijkheid van het Belgisch recht op grond van artikel 15 van haar algemene voorwaarden.

Door deze bepaling in de algemene voorwaarden hebben partijen een impliciete rechtskeuze voor het Belgisch recht gemaakt. Verweerster beroept zich dan ook ten onrechte op de toepasselijkheid van het Nederlands recht.

Artikel 15 van de algemene voorwaarden vermeldt evenwel enkel dat het "Belgisch recht" van toepassing is.

De Rechtbank stelt zich evenwel de vraag of in casu het Weens Koopverdrag, dat deel uitmaakt van het nationaal Belgisch recht, niet van toepassing is.

Het Weens Koopverdrag is immers van toepassing wanneer er sprake is van een koopovereenkomst met betrekking tot lichamelijk roerende zaken. De verkoop moet bovendien een internationale dimensie hebben hetgeen het geval is wanneer koper en verkoper in verschillende staten gevestigd zijn.

Ook overeenkomsten tot levering van te vervaardigen zaken - in het Belgisch recht vaak een aannemingsovereenkomst genoemd - vallen onder het Koopverdrag, tenzij wanneer de opdrachtgever een wezenlijk deel van de grondstoffen verschaft of wanneer de verkoper meer arbeid dan goederen levert (art.3 Koopverdrag). (Zie hierover o.m. H.Van Houtte, "Het Weens Koopverdrag in het Belgisch recht", T. B. H., 1998, p. 344‑345)

Uit de stukken, die pas ter zitting door partijen werden neergelegd, blijkt dat de facturen nrs. 1225 en 1226 voor een groot deel betrekking hebben op de levering van grondstoffen, o.m. rollagers, spanplaten, messen, kabels, e.d.

De Rechtbank stelt zich dan ook de vraag of in casu het Weens Koopverdrag niet dient toegepast te worden.

Uit het enkele feit dat partijen het Belgisch recht van toepassing hebben verklaard, wordt het Weens Koopverdrag immers niet buiten werking gesteld. De loutere keuze van een bepaald recht volstaat immers niet om het Koopverdrag uit te sluiten. Wie het Koopverdrag wil uitsluiten dient dit uitdrukkelijk in de algemene voorwaarden te vermelden. (zie H.Van Houtte, I.c., nr.14, p.348)

De Rechtbank verzoekt partijen dan ook standpunt in te nemen over de vraag of het Weens Koopverdrag van toepassing is en in voorkomend geval tevens standpunt in te nemen over de gevolgen van de toepasselijkheid van dit Verdrag voor huidig geschil.

Teneinde partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen wordt een heropening der debatten bevolen.

(…)

 

OM DEZE REDENEN

Beslist de Rechtbank, na beraadslaging, op tegenspraak:

Zij verklaart zich bevoegd.

Zij verklaart de hoofdvordering van aanlegster en de tegenvordering van verweerster ontvankelijk, doch alvorens over de gegrondheid van de hoofdvordering en de tegenvordering uitspraak te doen, beveelt zij een heropening der debatten teneinde partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of het Weens Koopverdrag van toepassing is en in voorkomend geval om standpunt in te nemen over de gevolgen van de toepasselijkheid van dit Verdrag op de rechtsverhouding tussen de partijen.

Zij stelt de zaak daartoe op zeventien januari 2000.

Zij houdt de uitspraak over de kosten aan.

Zij verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgstelling noch kantonnement.

(…)

 

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be