|
|
|
Case Identification Date of Decision: 7 September 1999 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Hof van Beroep,
Brussel Case Number: 1999/KR/53 Parties: I.C.N. P.H. B.V. v. cvba D. Case History: Appeal from order of
the Commercial Court, Brussels, 24 December 1998 Seller’s Country: Netherlands (Defendant and Appellant) Buyer’s Country: Belgium (Plaintiff and Respondent on appeal) Goods Involved: Vision care products Judges: Van Cauwelaert, Blondeel, Raes Status: Unpublished Classification of issues present Application of CISG: No Jurisdiction – jurisdiction clause on reverse side of delivery note in
favour of Court in The Hague – Brussels Convention art. 17 – exclusive
jurisdiction to Court in The Hague Jurisdiction – Brussels Convention art. 2 – place of residence of
Defendant – Netherlands Jurisdiction – Brussels Convention art 5(1) as alternative to art. 2 –
place of performance – parties chose Dutch law – CISG applicable in
Netherlands – delivery in Netherlands Jurisdiction – Brussels Convention art. 24 - Provisional
measures at different court than court with exclusive jurisdiction – no
evasion of rules possible - cannot be
applied Court has no jurisdiction Text of the Decision Het HOF VAN BEROEP te Brussel, achtste kamer, na beraad, wijst volgend
arrest: 1999/KR153 IN
ZAKE VAN: De besloten vennootschap naar Nederlands recht I.C.N. P.H. B.V., appellante, vertegenwoordigd door Mr Bruyndonckx, advocaat loco Mr J.
Perilleux, advocaat te 1000 Brussel (...) TEGEN: De cvba D., met
maatschappelijke zetel te Stenen-Kruislaan 85 te 1060 Brussel (...) geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr L. Van Bunnen, advocaat te 1180
Brussel (...) Gelet op het verzoekschrift, ingediend ter griffie op 12 februari 1999,
waarbij tijdig een regelmatig hoger beroep werd in gesteld tegen de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van
koophandel te Brussel, zetelend in kort geding, van 24 december 1998,
beslissing waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd; I. Relevante feiten en de bestreden beschikking: Overwegende dat tussen partijen op 1 februari 1998 een overeenkomst werd
gesloten waarbij geïntimeerde werd aangesteld als de enige verdeler in
België, via ketens van grootwarenhuizen, van door appellante aan geïntimeerde
te leveren ICN Vision Care Products (vrij
vertaald: producten voor het verzorgen van het gezicht), zoals
contactlenzen, oplossingen voor contactlenzen, proteïnetabletten, en
bijhorende producten; Overwegende dat de inleidende vordering, betekend op 23 november 1998,
strekte tot levering door appellante aan geïntimeerde, onder verbeurte van
een dwangsom van 1.000.000 BEF per
dag vertraging, van: -
612 Soft 55 UV Lenses, volgens
bestelling JN/98/746 van 23 oktober 1998, -
8.064 eenheden Dioptil Soft Lens
Solution, volgens bestelling JN/98/741 van 15 oktober 1998, voor 1
december 1998, en -
10.368 eenheden Dioptil Soft Lens
Solution, Dioptil Hard Lens Solution en Dioptil Rince Solution, volgens
bestellingen JN/98/736 van 14 oktober 1998 en JN/98/736 B van 27 oktober
1998, eveneens voor 1 december 1998; Overwegende dat de bestelling JN/98/746 van 23 oktober 1998 door
appellante aan geïntimeerde werd geleverd op 27 november 1998; Dat de bestelling JN/98/741 van 15 oktober 1998 door appellante aan geïntimeerde
werd geleverd op 10 december 1998; Dat de bestellingen JN/98/736 van 14 oktober 1998 en JN/98/736 B van 27
oktober 1998 gedeeltelijk werden uitgevoerd op 10 december 1998, en voor het
overige op 21 december 1998; Overwegende dat de inleidende vordering door de eerste rechter in beraad
werd genomen op zijn zitting van 17 december 1998, toen de voormelde
bestellingen waren uitgevoerd, met uitzondering van het tweede gedeelte van
de bestellingen JN/98/736 van 14 oktober 1998 en JN/98/736 B van 27 oktober
1998, dat zoals vermeld op 21 december 1998 werd uitgevoerd; Overwegende dat appellante in de bestreden beschikking werd veroordeeld
tot onmiddellijke levering aan geïntimeerde van één derde van 10.368 eenheden (12 paletten) Dioptil Soft Lens
Solution, volgens bestellingen JN/98/736 de dato 14 oktober 1998 en
.JN/98/736 B de dato 27 oktober 1998, onder verbeurte van een dwangsom van
500.000 fr. per werkdag vertraging in de levering van de gevraagde
hoeveelheden; Overwegende dat de eerste rechter bij het uitspreken van deze beschikking
op 24 december 1998 niet ingelicht bleek te zijn van de uitvoering van het
resterende gedeelte van de bestellingen van 14 en 27 oktober 1998 op 21
december 1998; Overwegende dat geïntimeerde erkent dat de geleverde producten conform
zijn, behalve twee partijen van de bestellingen JN/98/736 en JN/98/736 B van
14 en 27 oktober 1998; Dat de partij 97 H 01 te oude producten, met witte in de plaats van groene
dopjes zou hebben bevat; Dat zij door appellante op 7 januari 1999 werd vervangen door de partij 98
128, die echter volgens geïntimeerde evenmin conform zou zijn, aangezien de
etiketten niet de juiste kleur hadden en de wettelijk verplichte
vermeldingen niet bevatten, en die zich nog steeds bij geïntimeerde
bevindt; Dat ook partij 98 A 21 te oude producten zou hebben bevat; Dat deze partij door appellante op 28 januari 1999 werd vervangen door een
partij 99 A 21; II. De ontvankelijkheid van het hoger beroep: Overwegende dat geïntimeerde de ontvankelijkheid van het hoger beroep
betwist, op grond van de overweging dat het zonder voorwerp zou zijn; Dat haar redenering luidt dat appellante de levering, waartoe zij in de
aangevochten beschikking werd veroordeeld, heeft uitgevoerd, en dat dit feit
niet ongedaan gemaakt kan worden; Dat de enige vraag die volgens geïntimeerde nog rest luidt of de aldus
geleverde producten conform waren aan de bestelde, en dat, als dit niet het
geval is, het hoger beroep er niet zou kunnen toe strekken appellante de
gelegenheid te geven om alsnog te ontkomen aan de aansprakelijkheid die zij
wegens de gebrekkige uitvoering oploopt; Overwegende dat geïntimeerde echter uit het oog verliest dat het hoger
beroep ertoe strekt het hof toe te laten te onderzoeken of de eerste rechter
terecht heeft beslist dat appellante de bestelling, die het voorwerp is van
het beschikkend gedeelte van de aangevochten beslissing, diende uit te
voeren; Dat deze beslissing vernietigd of hervormd kan worden, indien het hof
oordeelt dat zij onwettig of onterecht is; Overwegende dat het hoger beroep van appellante dus wel degelijk een
voorwerp heeft en ontvankelijk is; III. De territoriale bevoegdheid: 1. Overwegende dat appellante, zowel voor de eerste rechter als thans voor
het hof, de exceptie van territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter
opwerpt, en doet gelden dat alleen de rechtscolleges van Den Haag bevoegd
zijn om kennis te nemen van geschillen tussen partijen; 2. Overwegende dat appellante terecht verwijst naar het forumbeding,
vervat in artikel 8 van haar leverings-
en betalingsvoorwaarden, dat als volgt luidt: Op
alle overeenkomsten is Nederlands recht van toepassing. Geschillen zullen
voor zover mogelijk beslecht worden door een te ‘s Gravenhage bevoegde
rechter. (All
agreements are exclusively governed by Dutch law. Any dispute that might
arise is exclusively subject to the jurisdiction of the court of
appeal of the city of The
Hague); Overwegende dat geen beperking vervat is in de vermelding, in de
Nederlandse tekst, dat geschillen voor
zover mogelijk beslecht zullen worden door de rechter te Den Haag; Dat uit de vergelijking met de Engelse tekst blijkt dat de mogelijkheid
slaat op het ontstaan van een geschil, en niet op de beslechting ervan door
de rechter in Den Haag, en dat dus de Nederlandse versie een onhandige
vertaling uit het Engels blijkt te zijn van de uitdrukking dispute that might arise, geschil dat zou kunnen ontstaan Overwegende dat appellantes leverings- en betalingsvoorwaarden afgedrukt
zijn op de keerzijde van de pakbon
(delivery note) die voor elke levering wordt opgesteld; Dat op de voorzijde van de pakbon, onderaan de aanduidingen betreffende de
geleverde goederen, vermeld is: Op
alle leveringen van goederen en diensten zijn van toepassing de op de
achterzijde van dit formulier gedrukte leverings- en betalingsvoorwaarden.
Acceptatie van de geleverde goederen houdt in aanvaarding van de leverings-
en betalingsvoorwaarden; Dat geïntimeerde herhaaldelijk leveringen in ontvangst heeft genomen
voorafgaandelijk aan de bestellingen waarvan in de inleidende dagvaarding de
uitvoering wordt gevorderd, en dat zij niet aanvoert tegen de voorwaarden
ooit bezwaar te hebben gemaakt; Overwegende dat het forumbeding in kwestie aldus tussen partijen bij de
uitvoering van de overeenkomst van 1 februari 1998 gebruikelijk was, en
bijgevolg ook bindend is voor het geschil betreffende de bestellingen in het
raam van dezelfde overeenkomst (aldus artikel 17, lid 1, b van het Europees
Executieverdrag; zie, met verwijzingen: H. VAN HOUTTE, Uitsluitende bevoegdheidsgronden, in: Europese IPR-verdragen (H. VAN HOUTTE en M. PERTEGAS SENDER, red.), Leuven, Acco,
1997, p. 55, nr. 2.22); 3. Overwegende dat geïntimeerde zich niet kan beroepen op de
bevoegdheidsgrond die voortvloeit uit de plaats waar de verbintenis moet
worden uitgevoerd; Overwegende dat, zo het forumbeding buiten beschouwing wordt gelaten - en
dus ten overvloede, geïntimeerde, die haar maatschappelijke zetel heeft in
Nederland, in de regel alleen voor de gerechten van die Staat kan worden
opgeroepen (zie artikelen 2 en 3 Europees Executieverdrag); Dat weliswaar uitzondering moet worden gemaakt voor verbintenissen uit
overeenkomst, die behoren tot de bevoegdheid van het gerecht van de plaats
waar de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt moet worden
uitgevoerd (artikel 5,1 Europees Executieverdrag); Overwegende dat geïntimeerde echter ten onrechte opwerpt dat de levering
door appellante in Brussel (of in België) diende te worden verricht; Overwegende dat de vraag naar de plaats van de levering naar Nederlands
recht dient te worden beantwoord; Dat dit volgt uit het aangehaalde artikel 8 van appellantes leverings- en
betalingsvoorwaarden, dat ook een beding van de keuze van Nederlands recht
bevat, dat bindend is krachtens artikel 2 van het Verdrag van 15 juni 1955
nopens de op de internationale troop van roerende lichamelijke zaken
toepasselijke wet, alsmede, in ondergeschikte orde, uit de verwijzing naar
de wet van de verkoper in artikel 3 van hetzelfde Verdrag (zie in dezelfde
zin: H. VAN HOUTTE, Toepassingsgebied
van het Europees Overeenkomstenverdrag, in: Europese
IPR-verdragen
(H. VAN HOUTTE en M. PERTEGAS
SENDER, red.), Leuven, Acco, 1997, p. 199, nr. 6.20); Overwegende dat het toepasselijk Nederlands recht vervat is in het Weens
Koopverdrag (Verdrag der Verenigde Naties van 11 april 1980 inzake
Internationale Koopovereenkomsten betreffende Roerende Zaken, voor Nederland
in werking getreden op 1 januari 1992); Dat artikel 31 van dit verdrag bepaalt dat, bij ontstentenis van
andersluidende overeenkomst, de verplichting tot aflevering bestaat: -
uit het afgeven van de zaken aan de eerste vervoerder ter verzending aan
de koper, indien de koopovereenkomst tevens het vervoer van de zaken omvat, -
is dit laatste niet het geval, uit het ter beschikking stellen van de
zaken aan de koper op de plaats waarvan partijen wisten dat zij er zich op
het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst bevonden, als het gaat om
individueel bepaalde zaken, dan wel om naar soort bepaalde zaken, die van
een bepaalde voorraad moeten worden afgenomen, of - in andere gevallen, uit het ter beschikking stellen van de zaken aan de
koper op de plaats waar de verkoper zijn vestiging had ten tijde van het
sluiten van de overeenkomst; Dat aldus moet worden aangenomen dat de levering hoe dan ook in de
magazijnen van appellante in Nederland dient te geschieden; Overwegende dat blijkt dat de verbintenis tot levering waarop de
inleidende vordering gegrond is, in Nederland diende te worden uitgevoerd,
zodat geïntimeerde zich niet kan beroepen op de bevoegdheidsbepalende
regel, vervat in artikel 5,1; 4. Overwegende dat artikel 24 van het Europees Executieverdrag weliswaar
bepaalt dat in de wetgeving van een verdragsluitende Staat voorziene
voorlopige of bewarende maatregelen bij de rechterlijke autoriteiten van die
Staat kunnen worden aangevraagd, zelfs indien het gerecht van een andere
verdragsluitende Staat krachtens dit verdrag bevoegd is om van het
bodemgeschil kennis te nemen; Dat vooriopige en bewarende
maatregelen door het Hof van Justitie, dat bevoegd is voor de uitlegging
van het Europees Executieverdrag, nader werden omschreven als de
maatregelen (...) die bedoeld zijn een feitelijke of juridische
situatie te handhaven ter bewaring van rechten waarvan de erkenning langs
andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis
neemt (H.v.J., 26 maart 1992, Reichert II, zaak 261/90, Jur.
1992, I, 2149; zie uitvoeriger: M. PERTEGAS SENDER, Aanhangigheid, samenhang en voorlopige maatregelen, in Europese
I.P.R.-verdragen, hierboven aangehaald, p.131 ex.); Overwegende dat de voorliggende vordering, al wordt zij in kort geding
ingeleid en zou zij naar Belgisch recht in kort geding ingewilligd kunnen
worden, niet als een voorlopige maatregel in de zin van artikel 24 kan
worden aangemerkt; Overwegende dat de vordering strekt tot levering van producten, en dus tot
uitvoering van koopovereenkomsten; Dat de enige betwisting tussen partijen de leveringstermijn betrof, en de
vordering door geïntimeerde als koper werd ingesteld omdat zij van oordeel
was dat de bestellingen door appellante zo snel mogelijk moesten worden
uitgevoerd; Overwegende dat na de leveringen weliswaar tussen partijen betwisting is
ontstaan over de conformiteit van bepaalde geleverde producten; Dat het echter om een nieuw geschil gaat, dat nog niet aan de orde was
toen de vordering in kort geding werd ingesteld, en dat dus ten aanzien van
de vordering in kort geding geenszins het bodemgeschil was; Overwegende dat appellante trouwens voor het kort geding gekozen heeft,
niet om een voorlopige maatregel te bekomen, maar alleen omdat zij hoopte
dat deze rechtspleging sneller zou verlopen dan een bodemprocedure; Dat artikel 24 echter niet toelaat de gewone bevoegdheidsbepalende regels
van het Europees Executieverdrag te omzeilen; Dat appellante op het vlak van de bevoegdheid de gevolgen moet dragen die
aan de werkelijke aard van haar vordering verbonden zijn; 5. Overwegende dat de eerste rechter zich ten onrechte territoriaal
bevoegd heeft verklaard, en dat alleen de rechter te Den Haag bevoegd was om
van de inleidende vordering kennis te nemen; Dat de aangevochten beschikking dus door een onbevoegde rechter is
gewezen, en om die reden moet worden vernietigd; Overwegende dat ook het hof van beroep, om dezelfde reden als de eerste
rechter, territoriaal onbevoegd is om, na de vernietiging van de bestreden
beschikking, zelf van de vordering kennis te nemen, weze het als
appelrechter; OM
DEZE REDENEN, HET
HOF, Uitspraak doende na tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen
in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond, Vernietigt de aangevochten beschikking, Opnieuw uitspraak doend: Verklaart zich territoriaal onbevoegd om van de vordering kennis te nemen, Veroordeelt geïntimeerde tot de gerechtskosten van beide aanleggen,
begroot in hoger beroep op 5.600 fr + 8.200 fr in hoofde van appellante en
op 8.200 fr in hoofde van geïntimeerde. (...)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |