|
|
|
Case Identification Date
of Decision: 9 July 1999 Jurisdiction:
Belgium Tribunal: Rechtbank
van Koophandel, Hasselt Case
Number: A.R.1321/99 Parties:
R.
N.V. v. P.M. A.G. Seller’s
Country: Belgium (Plaintiff) Buyer’s
Country: Switzerland (Defendant) Goods
Involved: Zinc Judges: P. Vanhelmont, H. Warson, N. Bronckaers Status:
Unpublished Classification
of issues present
Application
of CISG: Yes CISG
Provisions applied: Arts. 1(1)(a),
53
& 61 Jurisdiction
– General conditions – used several times by Plaintiff - never objected
by Defendant – this Court has jurisdiction Applicable
law – CISG – in force in both countries Supplementary
law – Convention on the law applicable to the contracts for the
international sale of goods (Hague Conference, June 15, 1955) - Place of
residence of seller – Belgian Punitive
clause – not in CISG - according to Belgian law (lex contractus) – judge
reduced damages Text of the Decision De rechtbank van koophandel te Hasselt, eerste kamer, heeft het volgende
vonnis uitgesproken: in
zake: A.R. 1321/99 - <R. N.V.>,
met maatschappelijke zetel gevestigd te 3550 HEUSDEN-ZOLDER (...), ingeschreven in het handelsregister
te Hasselt (...); aanleggende partij, verweerster op tegeneis, die verschijnt door Meester
L. Renier, advocaat te 3500 Hasselt (...); tegen: <P.M. A.G.>,
vennootschap
naar Zwitsers recht met maatschappelijke verwerende
partij, eiseres op tegeneis, die verschijnt door Mr. Vissers loco Meester F.
Vandewaile, advocaat te 2000 Antwerpen (...); volgt
het vonnis. Bij inleidend exploot van het ambt van gerechtsdeurwaarder F. Jennen te
Kermt-Hasselt d.d. 14 april 99 liet eiseres dagvaarding uitreiken aan
verweerster teneinde deze te doen veroordelen in betaling van 1.238.661, 16
DEM, om te zetten in BEF aan de convergentiekoers op datum van de
veroordeling of datum van betaling , de gerechtelijke interesten en kosten. Het
gevorderde bedrag is volgens de dagvaarding samengesteld als volgt:
hoofdsom niet betwiste facturen
1.226.055,16 DM
strafbeding
10 %
12.606,00 DM
1.238.661,16
DM Ter zitting van 16 juni 1999 heeft eiseres haar vordering herleid, als
volgt: hoofdsom
volgens dagvaarding
1.126.055,16 DM ontvangen
afkortingen
-99.850.04 DM saldo
hoofdsom
1.026.205,12 DM strafbeding
10 % op 1.126.055, 16 DM
+ 112.606.00 DM
1.138,811,12 DM en
bij alsdan neergelegde conclusies gevraagd deze veroordeling niet langer om
te Ter zitting van 30 juni 99 is Mr. Renier verschenen voor eiseres,
verweerster op tegeneis, en Mr. Vissers loco Vandewalle voor verweerster,
eiseres op tegeneis, zij hebben gepleit, Mr, Renier heeft zijn vroeger neergelegde conclusies
gehandhaafd en aanvullende conclusies neergelegd; Mr. Vissers heeft
syntheseconclusies neergelegd. De conclusies van Mr. Vissers bevatten een tegeneis in betaling van
1.596,- DEM om te zetten in BEF aan de convergentiekoers op datum van de
veroordeling of op datum van de betaling. IN
FEITE: Op 12 december 97 koopt verweerster bij eiseres volgens haar
aankoopbevestiging in het Duits per fax 1.200 ton "Umschmelzzink"
te leveren aan 100 ton per maand tussen januari en december 1998, volgens
een variabele en bepaalbare koers; tegen betaling op 60 dagen na de
levering. De fax verwijst niet naar algemene voorwaarden. Zij bestaat uit 1
pagina. Het dossier bevat geen bevestiging van de bestelling door eiseres. De
vordering heeft betrekking op betaling van facturen voor leveringen
overeenkomstig deze bestelling, waarvan de oudste dateert van 26 mei 98
en betrekking heeft op een levering van 30 april 98 en de
jongste van 6 october 98 en betrekking
heeft op een levering van 25 september 98. Die facturen bevatten volgens eiseres op de achterzijde de algemene
verkoopsvoorwaarden van de eisende partij, in het Nederlands en in het
Engels. Die voorzien in art. 15 dat ter zake van alle geschillen, die
mochten rijzen met betrekking tot de uitvoering van opdrachten, leveranties en werkzaamheden zulks met inbegrip van
alle rechtsmaatregelen
ter zake van incasso of andere maatregelen, de rechtbanken van Hasselt
bevoegd zullen zijn zulks ongeacht het beroep van partijen op hoger beroep en/of cassatie en dat op al de overeenkomsten Belgisch recht
van toepassing is, tenzij partijen er anders hebben over beslist. Zij
voorzien bovendien in art. 11 dat alle facturen betaalbaar zijn binnen de
dertig dagen tenzij anders werd bedongen en wel hetzij in kontant geld op
het kantoor van eiseres te Zolder, hetzij door overmaking per bank op één van de op de facturen
vermelde bankrekeningen.
De facturen bevatten het uitdrukkelijk verzoek te betalen op rekening van de ABN-AMRO Bank te Düsseldorf. Zij bevatten
nochtans tevens rekeningen
van de ABN AMRO Bank in België en de Cera Bank, alhier. Ten slotte voorzien
die verkoopsvoorwaarden dat een verwijzing door de koper naar zijn eigen
inkoop- of andere voorwaarden niet wordt aanvaard. Ook zonder dat de
voorwaarden van de koper uitdrukkelijk door R. worden afgewezen, gelden
haar voorwaarden, tenzij uitdrukkelijk en schriftelijk anders wordt
overeengekomen. Tengevolge
van de overeenkomst heeft eiseres 9 facturen uitgeschreven waarvan de oudste
dateert van 10 april 98 en de jongste van 26 mei 98, die wel betaald zijn en
die volgens eiseres op de achterzijde eveneens haar algemene
verkoopsvoorwaarden bevatten. Eiseres brengt een stuk bij waaruit blijkt dat zij ook reeds in 1997 een
dergelijk contract had met verweerster. Een verkoopsbevestiging uitgaand van
eiseres, waarvan verweerster de ontvangst niet betwist en die dateert van
7.2.97 (oorspronkelijk stond er 7.02.96) bevestigt de levering van eveneens
1.200 ton zink te leveren van januari tot december 97 aan 100 ton per maand.
Levering "Ab werk Zolder". Het stuk eindigt met de mededeling:
"Overigens gelden onze algemene verkoopsvoorwaarden". Verweerster stelt te hebben gekocht volgens haar algemene
aankoopvoorwaarden, eveneens in de Engelse taal, die eveneens de
andersluidende voorwaarden van contractspartners uitsluiten. Die voorzien
dat Zwitsers recht van toepassing is op de overeenkomst en dat het Weens
koopverdrag niet van toepassing is. Bevoegde rechtbank is deze van Zug in
Zwitserland, maar verweerster kan ook vorderingen instellen voor bevoegde
rechtbanken van andere landen. Verweerster duidt niet aan wanneer en hoe
eiseres op hoofdeis van de voorwaarden van verweerster kennis zou hebben
kunnen genomen hebben en uit welk tegensprekelijk of eenzijdig stuk zou
moeten blijken dat deze de litigieuze relatie tussen partijen zou moeten
beheersen. Eiseres stelt er slechts naar aanleiding van dit geding kennis te
hebben van genomen. Op 30 october 98 bevestigt verweerster een telefonisch gesprek waarin zij
bedankt voor het begrip voor haar bijzondere situatie. Zij vraagt een
moratorium van 6 maand om haar liquiditeit te herstellen. Van april 99 zou
zij dan haar schuld met DM 50.000,- per maand afbetalen zodat de vordering
van eiseres op hoofdeis eind april 2001 volledig zou betaald zijn. Zij
vraagt het voorstel te willen onderzoeken en haar toestemming te willen
mededelen. Op 2 november 98 bevestigt eiseres dat er nog rekeningen voor DM
1.126.055,16 openstaan en dat zij het voorstel in do brief van 30 october 98
niet kan aannemen. Zij bevestigt een afspraak met verweerster te hebben
gemaakt op 9.11.98 te Zolder en vraagt een aantal inlichtingen om dit
gesprek voor te bereiden. Op 9 november 98 vaardigt verweerster zekere E. af. Deze wil
eiseres een overeenkomst doen aannemen, die zich niet in het bundel van de
partijen bevindt. E. ondertekent nochtans de algemene
verkoopsvoorwaarden van eiseres en laat zijn handtekening voorafgaan door de
vermelding in het Duits: "Van toepassing op de betrekkingen tussen R.l en
P.M. A.G.". Verweerster houdt thans voor dat E.
geen volmacht had om de algemene verkoopsvoorwaarden van eiseres te
ondertekenen. Op 23 november 98 schrijft verweerster aan eiseres dat zij de recent
mondeling getroffen mondelinge overeenkomst als volgt noteert: 1.
Verweerster wordt toegestaan het verschuldigde of te betalen in 18
maanden, ingaand van 1 april 99 tot 31 october 2000 met maandelijkse
afbetalingen van 50.000,- DM van april. 2.
Verweerster gaat akkoord met de General Sales Conditions van eiseres
in bijlage. 3.
Zoals mondeling besproken kan verweerster haar aandelen niet in pand geven. 4.
Verweerster zal een tussenbalans per 30 november 98 ter beschikking stellen.
5.
Verweerster maakt de balansen van 96 en 97 over. Verweerster vraagt een kopij van de brief ondertekend terug te sturen als
teken van akkoord. De brief wordt ondertekend door zekere D., lid van
de raad van bestuur (Verwaltungsrat). Op 1 december 98 stuurt verweerster aan eiseres een factuur voor DM 1.596;
te weten een commissie op verkopen aan de Firma E.M. "
volgens overeenkomst". Op 2 december 98 schrijft eiseres aan verweerster dat zij niet akkoord
gaat met de inhoud van de brief van 23 november 98. Zij vraagt de
overeenkomst die zij op 24 november 98 door bemiddeling van E. met
haar gemaakt heeft te ondertekenen en aan haar terug te sturen. Zij is er
van overtuigd dat enkel de inhoud van die overeenkomst de juiste weergave is
van de afspraak, die zij met de Heer E. op 9 november maakte. Op 21 december 98 protesteert eiseres de factuur van verweerster. Zij
heeft rechtstreeks gekocht bij B. In het gesprek van 9 november 98
was er geen akkoord over een commissie. Daarover kan slechts worden
gesproken na regeling van alle openstaande bedragen. Verweerster roept in eerste instantie in dat deze rechtbank geen
internationale rechtsmacht heeft. Zij acht het verdrag van Lugano van 16
september 88 (hierna EVEX) van toepassing. Zij betwist dat zij de algemene
voorwaarden van eiseres uitdrukkelijk en formeel zou hebben aanvaard. Zij is
van oordeel dat de ondertekening door E. op 9 november 98 haar niet
tegenwerpelijk is, omdat de heer E. geen volmacht had om de algemene
verkoopsvoorwaarden van eiseres te ondertekenen. Zij is vervolgens van
oordeel dat ook het schrijven van 23 november 98 geen akkoord bevatte met de
algemene voorwaarden omdat dit akkoord gekoppeld werd aan een akkoord
omtrent een algemeen afbetalingsplan. bovendien stelt verweerster dat het
feit dat eiseres tijdens de besprekingen omtrent het afbetalingsplan bedong
dat verweerster zich uitdrukkelijk akkoord zou verklaren met haar algemene
voorwaarden er precies op wijst dat zij voorheen nooit met die algemene
voorwaarden akkoord was gegaan. Volledigheidshalve wijst verweerster er ook
op dat de kennis of de mogelijke kennis van de algemene voorwaarden de
sluiting van de overeenkomst dient vooraf te gaan. Vervolgens verwijst
verweerster naar de brief van eiseres van 2 december 98 waarbij eiseres
meedeelde niet akkoord te kunnen gaan met de inhoud van de brief van
verweerster. Derhalve werd in briefwisseling tussen partijen de toepassing
van de algemene voorwaarden van eiseres uitgesloten. Dientengevolge zijn
conform de algemene voorwaarden van verweerster de Zwitserse rechtbanken
bevoegd. Verweerster stelt dat de verkoopbevestiging van 7.2.97 niet aantoont dat
zij akkoord gegaan is met de verkoopsvoorwaarden van eiseres, omdat niet is
aangetoond dat verweerster ook kennis had van die algemene voorwaarden. Zij
acht haar toestemming met die algemene voorwaarden niet bewezen. Vervolgens
is het zo dat standaardbedingen voor één enkele overeenkomst niet
noodzakelijk gelden voor alle volgende overeenkomsten. Verweerster stelt bovendien dat voor zover haar koopvoorwaarden, noch de
algemene verkoopsvoorwaarden van eiseres van toepassing zijn art. 5.1. EVEX
van toepassing kan zijn en dat dientengevolge moet worden nagegaan worden
waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet
worden uitgevoerd. Daartoe is nodig na te gaan waar de eigendomsoverdracht
heeft plaats gevonden. Volgens de verkoopsvoorwaarden van eiseres wordt de
levering geacht geschied te zijn op het ogenblik dat de goederen van eiseres
haar bedrijf verlaten. In die zin zou deze rechtbank bevoegd zijn, ware het niet dat zij in geen
geval de algemene verkoopsvoorwaarden van eiseres op hoofdeis heeft
aanvaard. Vervolgens stelt verweerster dat men zich dient te steunen op de
bijzondere verkoopsvoorwaarden welke dienen vastgesteld aan de hand van de
bestelbon. Op de bestelbon die eiseres bijbrengt is wel de vermelding
aangebracht: "Af Zolder", maar verweerster betwist dat deze
vermelding door haar werd aangebracht. In die omstandigheden is verweerster
van oordeel dat zij overeenkomstig art. 2 EVEX had dienen gedaagd te worden
voor het gerecht van haar woonplaats. Alvorens de internationale rechtsmacht te onderzoeken, vraagt eiseres zich
of welke wet van toepassing is op de overeenkomst. Zij vindt de
conflictenregel terug in het Verdrag van Den Haag van 15 juni 1955 op de
internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet. Zij
stelt dat overeenkomstig art. 2 de koopovereenkomst beheerst wordt door de
interne wet van het door de contracterende partijen aangewezen land. Die
rechtskeuze moet gemaakt zijn in een uitdrukkelijk beding dan wel
onbetwijfelbaar voortvloeien uit de bepalingen van de overeenkomst. Volgens
eiseres is dat het geval met het bevoegdheidsbeding in haar algemene
voorwaarden. Die zijn door de heer E. tijdens zijn onderhandelingen te
Zolder uitdrukkelijk aanvaard en zijn bevoegdheid om deze te aanvaarden werd
nog eens uitdrukkelijk bevestigd in het schrijven van 23 november 98 waarin
verweerster uitdrukkelijk en zonder voorbehoud nog eens dezelfde
verkoopsvoorwaarden aanvaardt. Het ogenblik van de rechtskeuze kan
overeenkomstig art. 3.2 van het Europees Overeenkomstenverdrag (verder EVO)
ten dien tijde worden gemaakt of gewijzigd. Bovendien blijkt uit de
handelwijze van verweerster dat zij daadwerkelijk de verkoopsvoorwaarden van
eiseres heeft aanvaard want zij heeft de weinige betalingen, die zij heeft
verricht, uitgevoerd op de bankrekening van R. op de ABN-AMRO Bank te Düsseldorf,
overeenkomstig de factuurvoorwaarden die betaling voorzien, hetzij contant
te Zolder, hetzij door overmaking op de bankrekening vermeld op de facturen. Voor het geval de rechtskeuzebeding in de algemene voorwaarden niet
tegenstelbaar zou zijn, merkt eiseres op dat de geldigheid van de
toestemming van de partijen ten aanzien van de rechtskeuze dient beoordeeld
te worden volgens bet interne recht dat aangeduid is in de
rechtskeuzeclausule zelf, zoals blijkt uit art. 8 EVO. Voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat tussen partijen geen
geldige rechtskeuze tot stand is gekomen is artikel 3 eerste lid van bet
Verdrag van Den Haag van 1955 toepasselijk: de internationale handelskoop
wordt beheerst door de interne wet van het land waar de verkoper zijn gewoon
verblijf heeft op het ogenblik dat hij de order ontvangt, ten dezen is dat
gebeurd te Zolder op 12 december 97. Ten slotte wordt bij gebreke aan rechtskeuze overeenkomstig art. 4 § 1
EVO de overeenkomst beheerst door het recht van het land, waarmee de
overeenkomst het nauwst verbonden is, en dat is, waar de partij die de
kenmerkende prestatie moet verrichten haar hoofdbestuur heeft, zodat ook
Belgisch recht van toepassing is. Het feit dat het Belgisch recht van toepassing is heeft volgens eiseres
tot gevolg dat overeenkomstig art. 25 Wetboek van Koophandel haar
verkoopsvoorwaarden in verband met de plaats van betaling en de bevoegde
rechtbank van toepassing zijn. Ten slotte houdt eiseres in dit verband voor dat het Weens Koopverdrag van
toepassing is en dat overeenkomstig art. 57 van dit verdrag de koper dient
te betalen ter plaatse van de vestiging van de verkoper, dit alles behoudens
andersluidende overeenkomst tussen partijen. Volgens het eerste lid van art.
57 Weens Koopverdrag dient de koopprijs betaald te worden te Zolder of door
overmaking per bank op een van de bankrekeningen vermeld op de facturen. De
koper kan op grond van art. 5.1 EEX gedagvaard worden voor het gerecht, waar
overeenkomstig de lex contractus, de betalingsverbintenis is of moet worden
uitgevoerd. Indien de rechtbank ervan uitgaat dat de plaats van betaling
niet is overeengekomen tussen partijen, dan resulteert de toepassing van
art. 57 van het Weens Koopverdrag tot de rechtsmacht van de rechtbank van de
plaats van vestiging van de verkoper. In aanvullende conclusies stelt eiseres dan dat er continue
handelsbetrekkingen waren tussen partijen voorafgaandelijk aan de litigieuze
facturen die beheerst werden door de algemene verkoopsvoorwaarden waaronder
de clausule tot aanwijzing van deze rechtbank. Dat wordt bewezen door de
verkoopbevestiging van 7 februari 97. Het is trouwens volgens eiseres
opmerkelijk dat de aankoopbevestiging van 12 december 97 geen melding maakt
van de eigen aankoopvoorwaarden van verweerster. Vervolgens wijst eiseres er
ook op dat de betalingen van de eerste 9 leveringen van 1998 uitgevoerd
werden volgens haar verkoopsvoorwaarden, te weten betaling op de rekening
van ABN-AMRO bank te Düsseldorf en niet volgens de inkoopvoorwaarden van
verweerster. Zij acht de inkoopvoorwaarden van verweerster haar niet
tegenstelbaar, zij heeft er het eerst kennis van gekregen naar aanleiding
van dit geding en, indien zij ze al zou aanvaard hebben, dan kan er steeds
teruggekomen worden op de keuze van het Zwitsers recht. Vervolgens meent
eiseres dat het schrijven van 23 november 98 niet voorhoudt dat de vijf
punten die er in behandeld worden aan elkaar gekoppeld zijn. Indien dat
effectief zo zou zijn, vraagt men zich of waarom E. totaal los van
andere discussiepunten de algemene voorwaarden ondertekende. Eiseres bevestigt dat haar facturen op de keerzijde voorzien zijn van haar
algemene voorwaarden. Verweerster, daarover door de rechtbank gevraagd ter
zitting betwist dit, maar meent niet gehouden te zijn eiseres tegemoet te
komen in haar bewijslast op dit stuk door de originele facturen, die zij
ontvangen heeft, bij te brengen. Verweerster houdt voor dat zij conform
het door haar voorgestelde afbetalingsplan de eerste betaling heeft aangevat
op 31 maart 99 en maandelijks 50.000 DM afbetaald. Zij is van oordeel dat
aanleggende partij door na maanden stilzitten over te gaan tot dagvaarding
op een ogenblik dat zij haar afbetalingsplan aanvat, zich schuldig maakt aan
rechtsmisbruik en vraagt, zelf te goeder trouw zijnd, de rechtbank dat deze
betalingsfaciliteiten zou toekennen a rato van 50.000 DM per maand. Eiseres betwist dat tussen partijen een overeenkomst zou tot stand gekomen
zijn in verband met afbetalingen. Gelet op de hoegrootheid van de
schuldvordering verzet eiseres zich er tegen dat verweerster gemak van
betaling zou worden toegekend. Zij betwist dat verweerster te goeder trouw
zou zijn, zij geeft geen inzage van haar boekhouding. Vervolgens komt
verweerster haar eigen afbetalingsvoorstellen niet na, want zij heeft
slechts betaald:
op 9.04.99
24.962,51 DM
op 3.5.99
24.962,51 DM
op 18.5.9
24.962,51 DM
op 2.6.99
24.962,51 DM
99.850,04 DM Eiseres houdt voor geen andere afbetalingen te kennen en vraagt voor zo
ver verweerster van andere afbetalingen gewag zou makers de rechtbank de
debatten zal heropenen. Verweerster daarentegen houdt voor dat op dit
ogenblik slechts 976,055,16 DM verschuldigd is door de inmiddels gedane
afbetalingen. In verband met het schadebeding stelt verweerster dat zij niet kan
gebonden zijn door de algemene voorwaarden van eiseres in dat verband. Zij
is van oordeel dat het gevorderde strafbeding geen vergoeding kan uitmaken
van de door eiseres gebeurlijk geleden schade. Volgens verweerster is deze
evenmin aangetoond. Eiseres is
van oordeel dat de bepalingen van de verkoopovereenkomst tussen partijen
voorrang verdienen boven de verdragsregeling zoals bepaald door art. 6 en 9
van het Weens Koopverdrag. De geldigheid van het schadebeding valt
principieel buiten het toepassingsgebied van het Weens Kooopverdrag, bet
moet beoordeeld worden aan de hand van het nationaal recht dat de
overeenkomst beheerst. Overeenkomstig het Belgisch recht is een schadebeding
van 10 geoorloofd, zoals bedongen in de verkoopsvoorwaarden. Eiseres
vraagt het onderdeel van de hoofdeis in verband met de interesten naar de
rol te sturen. Zij vraagt
tevens de veroordeling niet langer om te zetten in BEF. Ten slotte
vraagt eiseres de discussie in verband met de tegeneis naar de rol te
sturen. BEOORDELING: Ter zake
is het EVEX van toepassing. Zowel België als Zwitserland zijn
verdragsluitende staten bij dit EEX. De regeling van het EVEX gaat deze van
art. 635 e.v. Ger. W. vooraf als hiërarchisch hogere norm. Ter zake
kan de rechtsmacht van de Belgische rechtbanken kunnen gebaseerd zijn op
art. 17 EVEX. Dat geeft rechtsmacht aan het gerecht van een verdragsluitende
staat dat de partijen hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen
Welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of
zullen ontstaan. Art. 17 dient verdragsautonoom te worden geïnterpreteerd
en niet via de lex contractus zoals eiseres doet. Art. 17 bepaalt verder hoe
de overeenkomst dient gesloten te worden. Voor dit geschil is van belang dat
deze overeenkomst kan worden gesloten in een vorm die wordt toegelaten door
de handelwijzen die tussen de partijen gebruikelijk zijn geworden (art,
17.1.b). Dit betekent dat partijen onderworpen zijn aan forumbedingen die
voorkomen in hun algemene voorwaarden waaraan ook hun vroegere transacties
waren onderworpen. Indien partijen geregeld geconfronteerd worden met
dezelfde voorwaarden, worden zij vermoed om - behoudens laakbare
onzorgvuldigheid - kennis te hebben gekregen van het forumbeding dat in deze
algemene voorwaarden is vervat. Indien zij hiertegen nooit hebben
geprotesteerd, zijn zij verondersteld met het forumbeding te hebben
ingestemd (Van Houtte H., Uitsluitende Bevoegdheidsgronden in Van Houtte H.
en Pertegas Sender M., Europese LP.R. - verdragen, Acco Leuven, 1997, 55,
randnummer 2. 22). Ter zake
is ten genoege van recht aangetoond dat de transacties tussen partijen
plaats gevonden hebben volgens de algemene voorwaarden van eiseres.
Vooreerst is er de verwijzing naar die algemene voorwarden in de fax van 7
februari 97. Vervolgens gaat de rechtbank ervan uit (zoals eiseres aanvoert) dat de
algemene voorwaarden van eiseres voorkwamen op de achterzijde van de
originele facturen die verstuurd werden ingevolge de overeenkomst van 7
februari 1997, die volledig is uitgevoerd en op de achterzijde van de
originele facturen die verstuurd werden ingevolge de overeenkomst bevestigd
op 12 december 97, die deels is uitgevoerd wat de leveringen en betalingen
betreft en volledig is uitgevoerd wat de leveringen betreft. Verweerster
houdt wel voor dat het niet bewezen is dat de facturen in kwestie die
voorwaarden op de achterzijde bevatten en dat eiseres het bewijs daarvan
dient te leveren en dat zij niet kan gehouden zijn eiseres in haar
bewijslast bij te staan. Die houding van verweerster is onredelijk en
strijdig met de goede trouw als procespartij. Er is maar één partij, die
in het bezit is van die facturen en dus het bewijs kan leveren dat die
facturen op de achterzijde de algemene voorwaarden van eiseres bevatten, of
het tegenbewijs kan leveren, dat zij die voorwaarden niet bevatten, en dat
is verweerster. In die omstandigheden kan verweerster niet voorhouden dat
zij niet gehouden is tot de bewijslast of daaraan mee te werken (zie
daarover Storme M.E., De goede trouw in het geding? De invloed van de goede
trouw in het privaat proces- en bewijsrecht., T.P.R., 1990, 510 en
volgende). Nu verweerster de facturen in haar bezit niet bijbrengt, wordt de
stelling van eiseres aangenomen dat deze de algemene voorwaarden van eiseres
bevatten. Eiseres (sic.) kan dan ook niet gevolgd worden dat zij de algemene
voorwaarden van eiseres niet kende voor het ogenblik dat de heer E.
daarvan kennis zou hebben genomen op 9 november 98. De rechtbank is evenmin
van oordeel dat het enkele feit dat eiseres op 9 november 98 er op stond dat
de afgevaardigde van verweerster haar algemene voorwaarden ondertekende niet
anders kan betekenen dat voor die datum die voorwaarden niet van toepassing
zouden geweest zijn dan wel andere voorwaarden. Eiseres had wellicht
bewijsmoeilijkheden verwacht en heeft deze in alle geval willen uitsluiten
door de heer E. deze te doen ondertekenen. Ten overvloede kan de rechtbank niet aannemen dat de voorwaarden van
verweerster de overeenkomst zouden beheersen. Er is geen enkele verwijzing
naar die voorwaarden in enig stuk. Het is in die omstandigheden overbodig te onderzoeken of de heer E.
al dan niet een mandaat had om op 9 november 98 de algemene voorwaarden te
ondertekenen en of het enkele feit dat verweerster in haar schrijven van 23
november 98 de algemene voorwaarden van eiseres van toepassing achtte,
volstond om te spreken van een bevoegdheidsbeding dat beantwoordt aan art.
17. 1. a EEX. Gelet op het feit dat Zwitserland tot eind december 99 voorbehoud heeft
geformuleerd om een exequatur te verlenen aan vonnissen van verdragsluitende
staten van het EVEX, die zich enkel bevoegd hebben verklaard op basis van
art. 5.1 EVEX, heeft eiseres er belang bij dat de rechtbank haar rechtsmacht
baseert op art. 17 EVEX. Vermits
in België en Zwitserland het Weens Koopverdrag van toepassing is, geldt dit
rechtstreeks. Met het feit dat verweerster in haar aankoopvoorwaarden het
Weens Koopverdrag heeft uitgesloten, dient ter zake geen rekening gehouden
te worden, nu de rechtbank hierboven tot de bevinding kwam dat deze
voorwaarden alleszins hier niet van toepassing zijn. Het feit dat de
verkoopsvoorwaarden van eiseres Belgisch recht toepasbaar maakt, sluit
evenmin de toepassing van het Weens Koopverdrag uit, nu de het Belgisch
recht inzake internationale koop van roerende goederen precies het Weens
Koopverdrag is. Voor
de zaken die niet geregeld zijn door het Weens Koopverdrag, is de Belgische
wet de lex contractus, bij toepassing van art.3 lid ! van het verdrag van
Den Haag van 15 juni 1955, omdat België het land is waar de verkoper zijn
gewoon verblijf had op het ogenblik dat hij de order ontving. De Belgische
wet zou eveneens van toepassing zijn, indien de rechtbank tot de bevinding
zou komen dat de factuurvoorwaarden van eiseres een uitdrukkelijke
tegenstelbare rechtskeuze zou bevatten. Verweerster
is overeenkomstig art.53 van het Weens Koopverdrag alvast gehouden tot het
niet-betwiste gedeelte van de vordering te weten 976.055,16 DM onder aftrok
van het bedrag van de tegeneis, waarover eiseres later wenst conclusies te
nemen, hetzij 974.459,16 DM. Uit
de briefwisseling en meer bepaald het schrijven van 2 december 98, blijkt
duidelijk dat eiseres (alleszins nog) niet akkoord ging met het voorstel van
verweerster haar toe te laten met afkortingen te betalen. Zij heeft evenmin
verweerster de indruk gegeven daarmee akkoord te gaan. Alleszins houdt het
enkele feit dat zij tot 14 april 98 (op een ogenblik dat verweerster haar
eerste afkorting had gestart) heeft gewacht om te dagvaarden geen
rechtsmisbruik in. Van rechtsverwerking door het enkele tijdsverloop is geen
sprake. De
rechtbank kan inderdaad een vonnis uitspreken in een munt van een OESO-staat
(W.12 juli 1991 die de wet van 30 december 1885 wijzigt). Verweerster stelt wel dat zij ongelukkig is en te goeder trouw maar zij
duidt geen enkele omstandigheid aan waaruit de rechtbank zou moeten afleiden
dat verweerster ongelukkig is en te goeder trouw. Overigens kan de rechtbank
overeenkomstig art. 61 lid 3 van het Weens Koopverdrag geen uitstel van
betaling toestaan. De vraag of de rechtbank een overdreven strafbeding nietig dient te
verklaren en/of al dan niet herleiden dient beoordeeld te worden volgens de
lex contractus (Antwerpen, 18 juni 1996, A.J.T., 1998-99, 941, noot Van Neck
F.). De rechtbank is van oordeel dat een schadebeding dat zonder enige
beperking 10 % op de hoofdsom van de facturen toekent en die ter zake zou
leiden tot veroordeling van 112.606,- DM overdreven is. Overeenkomstig
art.1231 BW., zoals gewijzigd door de wet van 23 november 1998, vermindert
de rechtbank ambtshalve het dongen bedrag tot 350.000,-. BEF. De debatten worden verder gezet in verband met de precieze afrekening van
de hoofdsommen, de interesten, de tegeneis en de kosten. De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het
gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd. OM
DEZE REDENEN, beslist
de rechtbank, na beraadslaging, op tegenspraak verklaart dat de Belgische rechtbanken internationale rechtsmacht hebben
overeenkomstig art. 17.1 b EVEX, verklaart de eis toelaatbaar, geeft eiseres akte van de herleiding van haar eis en verklaart de herleide
eis alvast deels gegrond, verklaart de eis ongegrond in die mate dat hij er toe strekt uit hoofde
van schadebeding een bedrag te bekomen van 112.606,- DM; herleidt de eis in
dat verband tot 350.000,- BEF geeft verweerster akte van de tegeneis, veroordeelt verweerster tot betaling aan eiseres van 976.055,16 DM
provisioneel, meer de gerechtelijke interesten en tot betaling van 350.000,-
BEF, meer de gerechtelijke interesten, stelt de zaak voor verdere behandeling op de zitting van 20 october 1999 om 9.00 uur voor behandeling van de
onderdelen van de herleide hoofdeis, waarover nog geen uitspraak word
gedaan, de tegeneis en de kosten, verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ondanks alle verhaal en
zonder borgstelling. (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |