|
|
|
Case Identification Date
of Decision: 18 May 1999 Jurisdiction:
Belgium Tribunal: Hof
van Beroep, Antwerpen Case
Number: 1996/AR/3312 Parties: V.V. N.V. v.
E.S. B.V. Case
History: Appeal from Rechtbank van Koophandel (Commercial Court) Hasselt,
Belgium (8 October 1996) Seller’s
Country: Netherlands (Defendant and Respondent on appeal) Buyer’s
Country: Belgium (Plaintiff and Appellant) Goods
Involved: Crayfish Judges: A. Verstreken, M. Geerts, E. De Wolf Status:
Unpublished Classification
of issues present
Application
of CISG: Yes CISG
Provisions applied: Arts. 45, 74, 77 and 78 Non-delivery
– damage caused to buyer (replacement goods more expensive) – seller
liable for damages Buyer
entitled to interest Seller
has counterclaim – interest according to applicable national law: Dutch
law Judgment
confirmed except for change of amount of damages Text of Decision Het Hof van Beroep zitting houdende te Antwerpen, Vierde ter Kamer,
rechtdoende in burgerlijke zaken, spreekt het volgende arrest uit: In zake: 1996/AR/3312 N.V. V.V., met zetel te 3560 Lummen (...), H.R. Hasselt (...); appellante tegen het vonnis uitgesproken op 8 oktober 1996 door de 4de kamer van de rechtbank van koophandel te Hasselt; vertegenwoordigd door mr. J. Dewez loco mr. H.
Berghs, advocaat te 3500 Hasselt (...); tegen: B.V. E.S., vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te
4463 JK Goes (Nederland) (...), ingeschreven in het
Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Midden- en
Noord-Zeeland (...); geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. s. Van Goethem loco mr. P. Van Sant,
advocaat te 2018 Antwerpen (...); Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm
overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen
gewezen op 8.10.1996 door de rechtbank van koophandel te Hasselt, waarvan
geen betekening wordt voorgebracht, en waartegen een naar vorm en termijn
regelmatig alsmede ontvankelijk hoger beroep werd aangetekend bij
verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 31.10.1996; Gehoord partijen in hun middelen en conclusies; Overwegende dat appellante bij exploot van 27.2.1996 geïntimeerde
dagvaardde tot het bekomen van betaling van 435.000 BE F, vermeerderd met de
intresten vanaf 21.12.95 en de kosten en compensatie werd gevraagd met
bedragen die nog verschuldigd zouden zijn aan geïntimeerde; Overwegende dat bij conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van
koophandel te Hasselt op 17.5.96 een tegeneis werd ingesteld tot het bekomen
van betaling van 54.325,50 NLG te weten 47.239,50 NLG in hoofdsom en
7.086,00 NLG strafbeding, vermeerderd met de intresten en de kosten; Overwegende dat de eerste rechter in het bestreden vonnis het voorwerp van
de vorderingen nauwkeurig heeft omschreven en het Hof ernaar verwijst; Overwegende dat de feiten die ten grondslag liggen aan de betwisting als
volgt kunnen worden samengevat. Appellante bestelde bij geïntimeerde kreeften die dienden geleverd te
worden op 21 en 22 december 1995. Appellante houdt voor dat geïntimeerde
deze bestelling bevestigde op 18.12.1995. Op voormelde datum, te weten
21.12.1995 meldde geïntimeerde eerst dat de levering later zou gebeuren dan
overeengekomen, te weten 0.30 uur i.p.v. 22 uur. Nadien bleek dat geen
enkele levering gebeurde, noch op 21 noch op 22 december. Appellante beweert
hierdoor schade te hebben geleden en vraagt hiervoor schadevergoeding van
110.000 BEF te weten 10 % van de te leveren goederen plus een vergoeding van
25.000 BEF daar zij extra inspanningen heeft moeten leveren tot het bekomen
van kreeften bij een andere Nederlandse leverancier. Bovendien vordert
appellant 200.000 BEF voor de meerprijs die zij heeft moeten betalen en
100.000 BEF voor de extra leveringskosten, hetzij in totaal 435.000 BEF. Door geïntimeerde werd een tegeneis ingesteld tot het bekomen van
betaling van facturen m.b.t. vroegere leveringen, facturen die niet betwist
worden met uitzondering van het schadebeding. Overwegende dat de eerste rechter in het bestreden vonnis de vordering van appellant gedeeltelijk gegrond heeft verklaard en geïntimeerde
veroordeeld heeft tot betaling van de som van ex aequo et bono bepaald op
25.000 BEF, vermeerderd met de intresten vanaf 25.12.1995 en tot 1/5 van de
kosten en de tegeneis gegrond heeft verklaard vermeerderd met intresten aan
7 % vanaf 14 dagen der respectieve vervaldata en tot 4/5 van de kosten; Overwegende dat appellante de vernietiging nastreeft van het bestreden
vonnis en concludeert tot de gegrondheid van haar oorspronkelijke vordering
ten laste van geïntimeerde; Dat zij dienvolgens de veroordeling nastreeft van geïntimeerde tot
betaling van de som van 435.000 BEF te vermeerderen met de vergoedende
intresten, de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten van beide
aanleggen; Overwegende dat geïntimeerde incidenteel beroep instelt en derhalve
afwijzing vraagt van de hoofdeis en veroordeling tot de oorspronkelijk
gestelde tegeneis met inbegrip van het schadebeding; Overwegende dat de eerste rechter na grondig onderzoek het Verdrag van
Wenen op de internationale verkoop van roerende goederen (1980) als
toepasselijk recht heeft verklaard op de contractsverhouding tussen partijen
en dit niet betwist wordt door partijen; Overwegende dat appellante aanvoert dat er twee bestellingen bij geïntimeerde
werden geplaatst voor levering van kreeften, te weten op 21 en 22 december
1995; dat geïntimeerde de eerste bestelling niet tijdig kon leveren en
nadien beide bestellingen annuleerde; dat geïntimeerde derhalve
contractbreuk heeft gepleegd waarvoor vergoeding wordt gevraagd; Overwegende dat geïntimeerde betoogt dat appellant de eerste bestelling
geannuleerd heeft daar niet kon geleverd worden op het tijdstip zoals
overeen gekomen en subsidiair aanbiedt dit door getuigen te bewijzen en dat
de tweede bestelling nooit door haar bevestigd werd; Overwegende dat uit de argumentatie tussen partijen volgt dat er wel
degelijk door appellante bestellingen werden geplaatst bij geïntimeerde
voor de levering van kreeften; dat er eventueel betwisting kan bestaan
m.b.t. de tweede bestelling en de mogelijkheid tot leveren door geïntimeerde;
dat inderdaad werd vooropgesteld dat ingeval men eveneens de kreeften wilde
besteld zien vóór 22.12.1995, dit ten laatste op 18.12.1995 moest
bevestigd worden; Overwegende dat niet blijkt dat appellante de bestelling van 22.12.1995
expliciet bevestigde, wanneer bleek dat er mogelijkheid was tot levering; Overwegende derhalve dat betreffende de tweede bestelling er twijfel is
omtrent de afspraken tussen partijen en de
eis niet bewezen is; Overwegende dat niet betwist wordt dat de eerste bestelling niet tijdig
geleverd kon worden en uiteindelijk niet geleverd werd; dat geïntimeerde
voorhoudt dat appellante de bestelling annuleerde gelet op de laattijdige
levering, doch dit nergens uit blijkt; Overwegende dat het getuigenverhoor meer dan drie jaar na de feiten geen
nut meer heeft nu hiervoor geen voldoende betrouwbaarheid meer kan worden
verleend; dat bovendien nooit enige geschreven verklaring werd voorgelegd
waarin de feitelijke elementen werden uiteengezet en die eventueel als
leidraad zou kunnen gelden; Overwegende dat het niet nakomen van deze verbintenis door geïntimeerde
een fout uitmaakt waarvoor vergoeding kan worden gevraagd conform art. 74 en
77 van het Weens koopverdrag; Overwegende dat appellante beweert hierdoor schade te hebben geleden daar
zij extra inspanningen heeft moeten leveren teneinde aan de wensen van haar cliënten te kunnen voldoen,
en de kreeften nog tijdig bij een andere leverancier te kunnen bekomen; Overwegende
dat bij gebrek aan juiste becijfering en nauwkeurige opgave, deze schade ex
aequo en bono kan bepaald worden op 100.000 BE F; Overwegende
dat de tegeneis niet betwist wordt zodat deze vordering dient te worden
toegekend in hoofdsom; Overwegende
dat geen toepassing kan gemaakt worden van het schadebeding vermits
hieromtrent geen stukken worden voorgebracht en partijen hieromtrent geen
overeenkomst hadden; Overwegende
dat het verschuldigd zijn van de intresten à 7 % vanaf 14 dagen na
respectieve vervaldata niet betwist wordt; OM DIE
REDENEN HET
HOF, Rechtdoende
op tegenspraak; Gelet op
artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart
het principaal hoger beroep en incidenteel beroep ontvankelijk en erover
rechtdoende ter gronde; Bevestigt
het bestreden vonnis binnen de perken ervan, met de enkele wijziging dat het
bedrag van 25.000 BEF op HONDERIDDUIZEND frank (100.000 BEF) wordt gebracht; Verklaart
het incidenteel hoger beroep ongegrond; Staat de
compensatie toe tussen hoofd- en tegenvordering; Slaat de
kosten van het hoger beroep tussen partijen om; (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |