K.U.Leuven
Case Identification

Case Identification

 

Date of Decision: 17 June 1998

Jurisdiction: Belgium

Tribunal: Rechtbank van Koophandel, Hasselt

Case Number: AR.1639/95

Parties: K.H. B.V. and K.E. B.V. v. B. N.V.

Case History: Appeal from Vrederechter te Hasselt, Judgment of 15 February 1995

Seller’s Country: Netherlands (Plaintiff and Appellant)

Buyer’s Country: Belgium (Defendant and Respondent)

Goods Involved: (?)

Judges: P. Vanhelmont, J. Smeets, N. Bronckaerts

Status: Unpublished

  

Classification of issues present

 

Application of CISG: Yes

CISG Provisions Applied: Arts. 1(1)(b), 38, 39 & 78

Applicable law - Convention on the law applicable to the contracts for the international sale of goods (Hague PIL Conference, June 15, 1955) – residence of seller – Netherlands – in Netherlands CISG applicable – CISG applicable

Notice of non-conformity – not timely

Repairs of goods by seller – second delivery – if still not conform – timely notification required

Interest – Dutch law –

Interest - no VAT on intercommunity commerce

Applicable law (for repairs) – art. 4(1) and 4(2) of European Contracts Convention – residence of party who has to perform characteristic performance - Netherlands

  

Text of the Decision

 

De rechtbank van koophandel te Hasselt, eerste kamer, heeft het volgende vonnis uitgesproken

 

in zake:

 

A.R.1639/95-<1. K.H. B.V.> vennootschap naar Nederlands recht, met zetel te 4904 SJ Oosterhout, Nederland (...)

 

<2.K.E. B.V. > , met zetel te 4904 SJ Oosterhout, Nederland (...)

appellanten, oorspronkelijk aanleggende partijen, verweersters op tegeneis, verschijnende door meester Van Hoof loco Goossens, advocaat te 2018 Antwerpen (...)

 

tegen

 

<B. N.V.>, met zetel te 3500 Hasselt (...)

geïntimeerde, oorspronkelijk verwerende partij, eiseres op tegeneis, verschijnende door meester Peter Segers loco Herman Segers, advocaat te 3580 Beringen (...);

 

volgt het vonnis.

 

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 24 april 1995 hebben K.H. B.V. en K.E. B.V. beroep aangetekend tegen een vonnis van de vrederechter van het tweede kanton te Hasselt van 15 februari 1995, op tegenspraak gewezen tussen henzelf als oorspronkelijk eiseressen, verweersters op tegeneis, en B. N.V., oorspronkelijk verweerster, eiseres op tegeneis, waarbij de uitgebreide hoofdeis tot betaling van 41.422,- Fr. te vermeerderen met de Nederlandse wettelijke interesten van 1 october 1993 tot de dag van de algehele betaling en van 5.000,- Fr. ten titel van schadevergoeding, meer de gerechtelijke interesten aan eiseres sub 1, en tot betaling van 23.573,- Fr., te vermeerderen met de Nederlandse wettelijke interesten van 1 october 1993 tot de dag van de algehele betaling en van 5.000,- Fr. ten titel van schadevergoeding, meer de gerechtelijke interesten, aan eiseres sub 2 ongegrond werd verklaard en de tegeneis tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding toelaatbaar en gegrond en appellanten werden veroordeeld tot betaling van 25.000,- Fr., meer de gerechtelijke interesten, aan geïntimeerde.

In conclusies, neergelgd ter griffie op 26 december 1995 heeft geïntimeerde incidenteel beroep aangetekend, in zoverre de eerste rechter zich bevoegd heeft verklaard en een tegeneis ingesteld wegens tergend en roekeloos beroep van 25.000,-Fr.

Bij vonnis op tegenspraak gewezen op 17 april 1996 heeft deze rechtbank het hoofdberoep en het incidenteel beroep toelaatbaar verklaard en alvorens verder recht te doen, de debatten heropend.

Bij vonnis op tegenspraak d.d. 19 februari 1997 heeft de rechtbank gezegd voor recht dat de Belgische rechtbanken rechtsmacht hebben in dit geschil en de debatten voor het overige heropend.

Bij vonnis op tegenspraak d.d. 8 april 1998 heeft de rechtbank de debatten andermaal heropend op 20 mei 1998.

Ter zitting van 20 mei 1998 is Mr. Van Hoof verschenen loco Goossens voor appellanten en Mr. Segers voor geïntimeerde, zij hebben gepleit, Mr. Van Hoof heeft conclusies neergelegd en een bijkomend stuk, Mr. Segers heeft verklaard geen bemerking te hebben over het feit dat appellante sub 2 betaling vordert van facturen, die uitgeschreven zijn door een afdeling van appellante sub 1.

 

IN FEITE:

De rechtbank verwijst naar de tussenvonnissen.

I.v.m. het feit dat appellante sub 2 de betaling vordert van facturen, die uitgeschreven zijn door een afdeling van appellante sub 1 stellen appellanten dat naar verweerster en andere klanten toe het steeds ging om apparatuur van appellante sub 2 en dat appellante sub 2 voor herstellingen steeds een beroep doet op de afdeling K.H. Services van appellante sub 1. De prestaties van K.H. Services worden intern verrekend met appellante sub 2. Aangezien het steeds gaat om apparatuur van appellante sub 2 rekent deze laatste de herstellingen door aan de klanten. Daarop heeft geïntimeerde verklaart het gebrek aan hoedanigheid van appellante sub 2 voor de herstelfacturen niet in te roepen.

I.v.m. het feit dat de voorwerpen van de levering schier onmiddellijk hersteld dienden te worden merken appellanten op dat het niet aan hen is maar aan geïntimeerde om een niet-conforme levering te bewijzen en dat dit tot op heden nog niet gebeurd is. Zij wijzen erop dat er nooit enige vorm van protest is geuit op de facturen i.v.m. de herstellingen en wat geïntimeerde naar voren schuift als protest, te weten het schrijven van de raadsman van 20 september 1993 i.v.m. facturen t.b.v. 504,37 Fl. die betrekking zouden hebben op herstellingswerken aan geleverde apparatuur die niet deugde, geen betrekking heeft op de herstelfacturen, voorwerp van dit geding, te weten nrs. 44.050 en 44.051 ieder voor 40,8 Fl. Daarenboven stellen zij dat dit protest laattijdig is omdat het dateert van bijna één jaar na factuurdatum.

Daarop heeft geïntimeerde niet meer gereageerd.

 

BEOORDELING:

Op de facturen van appellante sub 1 en op de facturen van appellante sub 2 d.d. 17.10.92 en 27.10.92 is het Weens Koopverdrag van toepassing. Overeenkomstig art. 3 van het verdrag van 15 juni 1955 nopens de op de internationale koop van roerende lichamelijke zaken toepasselijke wet wordt de koop beheerst door de interne wet van het land waar de verkoper zijn gewoon verblijf heeft op het ogenblik dat hij de order ontvangt. Vermits dit Nederland is, is het overbodig te onderzoeken of appellanten middels algemene voorwaarden konden bedingen dat Nederlands recht van toepassing is. Vermits in Nederland het Weens Koopverdrag van toepassing is op internationale verkopen van roerende lichamelijke zaken, moeten de verkopen in kwestie naar deze éénvormige wet beoordeeld worden.

Zoals gesteld in het tussenvonnis van 17 april 1996, ligt er geen tijdig protest tegen die verkopen voor en heeft geïntimeerde de facturen, die er op betrekking hebben, betaald op 20 september 1993, zij het met de mededeling "indien u kliënten hiermede niet akkoord gaan zullen wij een tegeneis instellen voor slechte materialen die zijn geleverd gezien er nu nog steeds meetinstrumenten worden teruggegeven voor herstelling".

Art. 38 van het Weens Koopverdrag voorziet dat de koper de zaken binnen een, gelet op de omstandigheden, zo kort mogelijke termijn moet keuren of doen keuren. Art. 39 van hetzelfde verdrag voorziet dat de verkoper het recht verliest om zich er op te beroepen dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoorden, indien hij niet binnen een redelijke termijn, nadat hij dit heeft ontdekt of had behoren te ontdekken, de verkoper hiervan in kennis stelt onder opgave van de aard van de tekortkoming. Een dgl. tijdige in-kennis-stelling is hier niet voorhanden. Het feit dat geïntimeerde n.a.v. de door appellanten ingestelde vordering in faillissement, documenten had voorgelegd aan de faillissementskamer, waaruit diende te blijken dat een aantal geleverde goederen dienden hersteld te worden (waarbij de rechtbank overigens opmerkt dat het niet blijkt dat de herstelde of nog te herstellen goederen betrekking hebben op de goederen waarvoor betaling wordt gevorderd) beantwoordt niet aan de tijdige in-kennis-stelling bedoeld door art. 39 van de éénvormige wet. Voor zover men er zou van uitgaan dat het feit dat de goederen vrij kort na levering dienden hersteld te worden aantoont dat de goederen teruggezonden werden met in-kennis-stelling van de gebreken, kan worden opgemerkt dat onder het regime van de Weense koopwet aangenomen wordt dat wanneer gebrekkige goederen op vraag van de koper door de verkoper hersteld worden, er een tweede levering plaats vindt en dat indien de herstelling onbehoorlijk werd uitgevoerd, de koper dit (opnieuw binnen redelijke termijn na de tweede levering) moet laten weten aan de verkoper (Wautelet P., Verplichtingen van de koper, in Van Houtte H., Erauw J. en Wautelet P., (eds.),Het Weens Koopverdrag, Intersentia, Antwerpen, 1997, 175, randnummer 5.46), hetgeen hier niet geschiedde. De waren dienen dus beschouwd als conform.

Het eerste voorwerp van de oorspronkelijke vordering heeft betrekking op de nalatigheidsinteresten op de koopfacturen. Art. 78 van het Weens Koopverdrag voorziet dat indien een partij te kort schiet in de betaling van de prijs de andere partij recht heeft op rente hierover. Appellanten brengen 9 % in rekening, waarvan zij voorhouden dat het sinds 1 januari 1994 de wettelijke rente is in Nederland. Geïntimeerde spreekt dat niet tegen. Nalatigheidsinteresten aan deze interestvoet kunnen dan ook worden toegekend aan appellante sub 1.

Wat betreft appellante sub 2 voorzien haar algemene voorwaarden nochtans in een rentevoet aan een percentage van 4 punten boven het wisseldisconto van de Nederlandsche Bank. Deze laatste interesten worden toegekend met een maximum van 9 % om te vermijden dat ultra petita zou worden geoordeeld.

Wat de incassokosten betreft stelt art. 78 van het Weens Koopverdrag dat het recht op rente de schadevergoeding overeenkomstig art. 74 van hetzelfde verdrag niet uitsluit. Het nationaal recht beheerst de geldigheid van bedingen betreffende een maximum‑ en minimumschadevergoeding (Claeys M., De bijzondere rechtsmiddelen van partijen in Van Houtte H., Erauw J. en Wautelet P., (eds.), op. cit.,253, randnummer 7.67). Hetzelfde kan gezegd worden van de aanspraken überhaupt. De vraag of de eis tot betaling van incassokosten (15 % over de eerste 6.500 HFL.) gebaseerd op de tarieven van de Nederlandse Orde van Advocaten overdreven zijn, moet dus niet naar Belgisch recht bekeken worden. Naar Nederlands recht zijn zij uiteraard geldig en zij kunnen dus toegekend worden.

Op factuur 185/1 heeft appellante sub 1 inderdaad ten onrechte B.T.W. in rekening gebracht. Op intercommunautair handelsverkeer is inderdaad geen B.T.W. verschuldigd. Ten onrechte houden appellanten in dit verband voor dat zich de vraag stelt of geïntimeerde de B. T. W. in haar kwartaalaangifte in aftrek nam. In Nederland afgedragen B.T.W. kan in België nooit worden afgetrokken. Nu appellanten niet voorhouden dat geïntimeerde de in Nederland afgedragen B.T.W. aldaar heeft teruggevorderd is het onderdeel van de oorspronkelijke vordering tot betaling van de B.T.W. ten bedrage van 13.711,- BEF op de factuur nr. 185/1 ongegrond.

Op de vordering tot betaling van de facturen 44.050 en 44.051 d.d. 27 december 92 is Nederlands recht van toepassing. Het gaat hier om facturen van herstelling.

Overeenkomstig art. 4.1 van het Europees Overeenkomstenverdrag inzake het recht dat van toepassing is op overeenkomsten wordt de overeenkomst beheerst door het recht van het land, waarmee zij het nauwst verbonden is, en overeenkomstig art. 4.2 van het verdrag wordt vermoed dat de overeenkomst het nauwst verbonden is met het land waar de partij, die de meest kenmerkende prestatie moet verrichten haar hoofdbestuur heeft. Dat is dus in Nederland. Het is dus zonder belang of de reparatie in België of Nederland plaats heeft gevonden. Het is overbodig te onderzoeken of partijen in hun algemene voorwaarden konden bedingen dat Nederlands recht van toepassing is.

Partijen brengen het Nederlands recht niet bij. Appellanten gaan er tijdens hun pleidooi zonder meer van uit dat de Nederlandse regeling in verband met de bewijskracht van de factuur dezelfde is als in België, hetgeen nochtans niet vanzelfsprekend is.

Geïntimeerde betwist niet dat de herstellingen plaats vonden, noch het in rekening gebracht bedrag in se. Wel stelt zij dat die reparaties plaats vonden op nieuwe toestellen, die niet-conform geleverd werden, hetgeen appellanten betwisten. In principe kan aangenomen worden dat indien een verkoper een toestel herstelt de herstelling voor rekening van de koper is tenzij de koper bewijst dat de herstelling onder garantie diende te geschieden of dat hij na de ontvangst der waar gehandeld heeft overeenkomstig art. 38 Weens koopverdrag. Noch het een, noch het ander doet zich voor. Bovendien heeft geïntimeerde na de ontvangst van de facturen gedurende ruime tijd het stilzwijgen bewaart. In die omstandigheden zijn ook die facturen verschuldigd.

Het vonnis a quo dient dus hervormd te worden en de tegeneis wegens tergend en roekeloos beroep is ongegrond.

De oorspronkelijke eis is gegrond als volgt:

1. B. V. K.h.:

           factuur 185/1 d.d. 13 november 1992           78.350,- BEF

           factuur 230/1 d.d. 17 november 1992           21.442,- BEF

           interesten 9 % tot 30 september 1993             9.395,- BEF

           incassokosten 15 % op hoofdsommen           14.969,- BEF

           subtotaal                                                     124.156,- BEF

           verminderd met betaling 30 september 93     - 99.792,- BEF

                                                                                  24.364,- BEF

2. B. V. K.E.:

           factuur 42.391 d.d. 7 october 1992             65.591,- BEF

           factuur 43.176 d.d. 27 october 1992           30.368,- BEF

           factuur 44.050 d.d. 27 november 1992           40.8,- HFL

           factuur 44.051 d. d. 27 november 1992           40.8,- HFL

           subtotaal                                                      99.470,- BEF

 

            interesten                                                                                     P.M.

            incassokosten 15 % op hoofdsommen                             12.870,- BEF

                                                                                                 112.340,- BEF

            verminderd met betaling op 30 september 1993              -97.959,- BEF

                                                                                                   14.381,- BEF

 

De eisen tot betaling van bijkomende schadevergoedingen van 5.000,- BEF wegens het verweer zijn ongegrond. Het verweer had academischer gekund, maar appellanten tonen niet aan daardoor schade te hebben geleden.

Appellanten hebben geen recht op onderscheiden rechtsplegingsvergoedingen voor ieder van hen. De laatste zin van de eerste paragraaf van art. 1 K.B. van 30 november 1970 vindt toepassing. Het rolrecht in beroep beloopt op 3.300,- BEF, zodat de vordering in betaling van een rolrecht (?)voor ieder der appellanten van 3.750,- BEF niet kan gevolgd worden.

De voorschriften van art. 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

 

OM DEZE REDENEN,

beslist de rechtbank, na beraadslaging, op tegenspraak, zetelend in graad van beroep van de zaken van de vrederechter:

de vonnissen van 17 april 1996, 19 februari 1997 en 8 april 1998 verder uitwerkend,

verklaart het hoofdberoep grotendeels gegrond, verklaart het incidenteel beroep ongegrond, verklaart de tegeneis wegens tergend en roekeloos beroep ongegrond,

doet het vonnis van de Heer Vrederechter van het tweede kanton te Hasselt te niet behoudens waar het de vorderingen ontvankelijk verklaarde en opnieuw wijzend,

verklaart de oorspronkelijke vordering grotendeels gegrond, verklaart de tegeneis ongegrond,

veroordeelt geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, tot betaling aan appellante sub 1, oorspronkelijk eiseres sub 1, van 24.364 BEF, te vermeerderen met de interesten aan de Nederlandse wettelijke intrestvoet van 1 october 93 tot de dag van betaling op 14.969,­BEF

veroordeelt geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, tot betaling aan appellante sub 2, oorspronkelijk eiseres sub 2, van 14.381,- BEF te vermeerderen met een jaarlijkse interest waarvan de intrestvoet 4 punten boven het wisseldisconto van de Nederlandsche Bank ligt, maar met een maximum van 9 %:

op 67.591 BEF van 7 october 92 tot 30 september 93

op 30.368 BEF van 27 october 92 tot 30 september 93

op 91,6 HFL van 27 november 92 tot 30 september 93

meer interesten aan de Nederlandse wettelijke intrestvoet van 1 october 93 tot de dag van volledige betaling

veroordeelt geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster, tot 2/3 der kosten in beide aanleggen, deze in hoofde van appellanten in hun geheel vereffend als volgt

                    dagvaarding:                                                            5.476,- BEF

                    rechtsplegingsvergoeding vrederechter:                     5.850,- BEF

                    rolrecht hoger beroep:                                             3.300,- BEF

                    rechtsplegingsvergoeding beroep:                            6.000,- BEF

                    rechtsplegingsvergoeding heropening der debatten:   2.050,- BEF

                    idem:                                                                      2.050,- BEF

en vereffent deze in hoofde van geïntimeerde in hun geheel op 13.850,- BEF, voor beide aanleggen.

(…)

 

K.U.Leuven - Claim Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer
URL: http://www.law.kuleuven.be