|
|
|
Case Identification Date of Decision: 18 June 1996 Jurisdiction: Belgium Tribunal: Hof
van Beroep, Antwerpen Case Number: 1993/AR2935 Parties:
M.M. v. S. A. P Case History: Appeal Seller’s Country: France (Plaintiff and Respondent on Appeal) Buyer’s Country: Belgium
(Defendant and Appellant) Goods involved: Clothes Judges: C. De Vel, P. Renaers, K. Allegaert Status: Published
in Algemeen Juridisch Tijdschrift, 1998-99 at p. 941, with comment by F. van
Neeck Classification
of issues present
Application of CISG: Yes CISG Provisions applied: Arts. 1(1)(b), 4, 100 Applicable law - Application of CISG - Rules of
Private International Law of the forum referring to law of contracting
state, i.e. France as law of the seller (Article 3 Convention on the law
applicable to the contracts for the international sale of goods, Hague PIL
Conference, June 15, 1955) and as law chosen in seller’s general
conditions of sale (Article 2 Convention on the law applicable to the
contracts for the international sale of goods, Hague PIL Conference, June
15, 1955) - CISG applicable because part of French law at time contract was
concluded, i.e. in 1989 Case concerns first validity and nullity of clauses
of contract – CISG not applicable to validity questions – French law
applicable Punitive clause - considered whether valid according to French law - valid, but reduced on basis of reasonableness
English Summary A Belgian buyer bought clothes from a French seller. The seller successfully sued the buyer for payment and the buyer appealed. The Hague Convention on the law applicable to the contracts for the international sale of goods, 15 June 1955, was applicable in Belgium (The CISG was not yet applicable). According to the Hague Convention the law chosen by the parties or, in absence thereof, the law of the seller, was applicable. Both rules led to the application of French law. Regarding international sales, the Hague Convention presided over the Rome Convention on the law applicable to contracts of 1980, applicable in the European Union. France was party to the CISG and therefore that Convention was applicable. However at issue here was the validity of the contract and that was excluded from the CISG. Therefore domestic French law had to be applied. The contract included a punitive clause which was valid according to French law, but invalid and contrary to public policy in Belgium. However, in Private International Law, the exception of public policy was stricter than under domestic law. Under French law the possibility existed to alter a punitive clause if it was unreasonable and the judge altered the clause.
Text
of the Decisi (…) Gelet op
de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd
waaronder het bestreden vonnis, waarvan geen akte van betekening wordt
voorgelegd alsmede het verzoekschrift ingediend ter griffie van dit hof op 8
september 1993 waarmee een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk
hoger beroep werd ingesteld; Overwegende dat
appellante, bij hervorming van het bestreden vonnis, de afwijzing nastreeft
van de oorspronkelijke eis van geďntimeerde strekkende tot de veroordeling
van appellante in betaling van de tegenwaarde in Belgische Franken van de
som van 89.109 Franse Frank aan de hoogste koers op de dag van betaling, te
vermeerderen met de conventionele interesten, wegens laattijdige annulatie
door appellante van een bestelling van kledij uit de pret-ŕ-porter
collectie «Kenzo» van geďntimeerde; Overwegende dat geďntimeerde
concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van
het bestreden vonnis; Overwegende de doeleinden
van de eis van geďntimeerde alsmede de feiten van het geschil en de
respectievelijke stellingen van partijen uitvoerig en juist werden
weergegeven in het bestreden vonnis zodat het hof hiernaar verwijst; 1.
De toepasselijke wet Overwegende
dat volgens de Conventie van Den Haag van 15 juli 1955 inzake internationale
koopovereenkomsten van roerende lichamelijke goederen, welke door België en
dor Frankrijk geratificeerd werd, het toepasselijke recht te dezen het
Franse recht is krachtens de verwijzingsregels van voormeld Verdrag; dat inderdaad volgens
deze verwijzingsregels de koop beheerst wordt door de interne wet van het
door de partijen aangewezen land (art. 2 Verdrag) en bij gebrek aan
rechtskeuze door de interne wet van het land waar de verkoper zijn gewoon
verblijf heeft op het ogenblik dat hij de order ontvangt (art. 3 Verdrag); dat te dezen art. 5 van
de algemene verkoopsvoorwaarden van geďntimideerde, die uitdrukkelijk
werden aanvaard door appellante zoals blijkt uit de ondertekening van de
bestelbons, expliciet de Franse wetgeving als toepasselijk op de
overeenkomst aanduidt; dat, in strijd met
hetgeen appellante voorhoudt, voormeld beding van rechtskeuze geenszins
herroepen werd door de bevoegdheidsclausule voorkomende op de naderhand door
geďntimideerde gedane bevestiging van de bestelling en waarbij, in geval
van betwisting, de keuze gelaten wordt te dagvaarden te Parijs of op de
woonplaats van de koper of verkoper; dat immers de
toepasselijke wetgeving en de bevoegde rechtbanken twee volledig
verschillende vraagstukken uitmaken; dat trouwens, zelfs mocht
geďntimeerde verzaakt hebben aan de rechtskeuze gedaan in de ondertekende
bestelbons, quod non, het Franse
recht nog steeds toepassing zou vinden vermits art. 3 van het Verdrag van
Den Haag van 15 juni 1955 tot toepassing van de interne wet van het land van
de verblijfplaats van de verkoper, in
casu geďntimeerde, verplicht; Overwegende dat
appellante niet kan gevolgd worden in haar stellingname dat het Verdrag van
Rome van 19 juli 1980 van toepassing zou zijn; dat het handelskoop
buiten het Verdrag van Rome valt en het Verdrag van Den Haag van 1955 inzake
de internationale koop van roerende lichamelijke zaken het Belgisch gemeen
internationaal privaatrecht vormt; dat overeenkomstig de
beginselen van internationaal privaatrecht het Verdrag van Den Haag van 1955
primeert op het Verdrag van Rome (cfr N. Watte La vente internationale de
marchandises: bilan et perspectives,
T.B.H., 1991, 373; N. Watte, Les contrats internationaux: l’incidence
de la convention de Rome du 19 juin 1980 sur la jurisprudence Belge, T.B.H.,
199, 10780; dat art. 21 van het
Verdrag van Rome trouwens expliciet bepaalt dat het Verdrag de toepassing
van de internationale verdragen waarbij een verdragsluitende Staat partij is
of zal worden, onverlet laat; Overwegende dat echter
dient nagegaan of Frankrijk, waarvan het recht toepasselijk is op de
overeenkomst, de eenvormige wet van 1964 (LUVI) of het Weens Koopverdrag van
11 april 1980 (CISG) in zijn nationale wetgeving heeft opgenomen; dat
inderdaad in dat geval de materiële regels van deze eenvormige wetten van
toepassing zijn; Overwegende dat Frankrijk
het Verdrag houdende de eenvormige wet inzake de internationale koop van
roerende lichamelijke zaken van I juli 1964 niet heeft ondertekend en
derhalve deze eenvormige wet geen toepassing vindt; Overwegende dat echter,
in tegenstelling tot hetgeen geďntimeerde in haar aanvullende
beroepsbesluiten laat gelden, het verdrag van de Verenigde Naties inzake
internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken gesloten te
Wenen op 1 april 1980 in werking trad in Frankrijk op 1 januari 1988 (Cfr.
J.H. Herbots, De transnationale
koopovereenkomst, Het Weens Koopverdrag van 1980, p.14); Dat art.1 van dit Verdrag
bepaalt dat het van toepassing is wanneer de regels van het internationaal
privaatrecht leiden tot de toepassing van de wetgeving van een Staat die
partij is bij het Verdrag; Dat de CISG-bepalingen
gelden voor de overeenkomsten die zijn gesloten na de datum van
inwerkingtreding van dit verdrag voor de betrokken staat (art. 100, tweede
lid, CISG-Verdrag); Dat nu de litigieuze
koop-verkoopovereenkomst gesloten werd op een tijdstip dat Frankrijk reeds
partij was bij het CISG-verdrag en nu, zoals reeds hoger vastgesteld, de
verwijzingsregels het Franse recht aanwijzen, het Hof de CISG regels in
beginsel moet toepassen, althans voor zover deze regels huidige betwisting
regelen; Overwegende dat, zoals
hierna uiteengezet, huidig geschil specifiek betrekking heeft op de
geldigheid of de ongeldigheid van het herroepings- of beëindigingsbeding
opgenomen in de tussen partijen afgesloten koop-verkoopovereenkomst; dat het Weens Koopverdrag
in art. 4 bepaalt dat het uitsluitend de totstandkoming van de
koopovereenkomst en de rechten en verbintenissen die de koopovereenkomst
doet ontstaan tussen koper en verkopen regelt doch inzonderheid geen
betrekking heeft op de geldigheid van de overeenkomst of die van de daarin
vervatte bedingen; dat derhalve het Verdrag
op het in de overeenkomst vervat beding geen toepassing vindt en dus het
Franse recht te dezen van toepassing blijft; Ten gronde
Overwegende
dat geďntimeerde in art. 3 van haar algemene verkoopsvoorwaarden de
forfaitaire vergoeding als volgt heeft vastgelegd ingeval van annulatie van
de bestelling door appellante: -
30% van de prijs van de bestelling indien deze
ingetrokken wordt tussen de 9 en 15 dagen na de bevestiging; -
50% indien de bestelling ingetrokken wordt tussen
16 en 45 dagen na bevestiging; -
100% indien de bestelling ingetrokken wordt meer
dan 45 dagen na de bevestiging; Overwegende dat de beide
bestellingen bevestigd werden respectievelijk op 12/3/1989 en 13/3/1989 en
beide bevestigingen vermelden dat de levering zal geschieden vanaf 1/7/1989
en ten laatste op 15/9/1989; dat appellante per brief
d.d. 1/6/1989 de beide bestellingen annuleerde; dat geďntimeerde daarop
aanspraak maakte op de conventionele vergoeding van 89.109 FF hetzij 100%
van de prijs van de bestellingen, zich beroepend op art. 3 van haar algemene
verkoopsvoorwaarden; Overwegende dat
appellante de stelling verdedigt dat voormeld beding een strafbeding
uitmaakt dat in strijd is met de Belgische openbare orde (art. 6 en art.
1131 BW) en met de internationaal privaatrechtelijk openbare orde en dit dus
las nietig dient aangezien; Overwegende dat formeel
gezien het beding zowel naar Frans recht als naar Belgisch recht geen
strafbeding doch een herroepings- of beëindigingsbeding vormt waarbij een
geldsom bedongen wordt als tegenprestatie van het recht van de koper om het
contract eenzijdig te ontbinden en waarbij aan de verkoper de mogelijkheid
ontnomen wordt om nog rechtstreekse uitvoering van het contract te bekomen; Overwegende dat niettemin
moet worden vastgesteld dat het kwestieus beding, zoals het in
concreto geformuleerd is en waarbij de vastgestelde forfaitaire
vergoeding progressief verhoogt naarmate het meer gevorderd tijdstip waarop
de koper van zijn bestelling afziet, in feite wel degelijk tot voorwerp
heeft de schade te vergoeden die de schuldeiser bij beëindiging van de
overeenkomst lijdt; dat geďntimeerde in
beroep as conclusies trouwens zelf het groeiend karakter van de forfaitaire
vergoeding ingeval van verzaken aan de koop verklaart door te stellen dat
deze in feite de kost vertegenwoordigt van de onbeschikbaarheid van de
koopwaar op dewelke zij een optie heeft toegestaan aan haar wederpartij en
dat deze kost verhoogt naarmate de onbeschikbaarheidsduur van de koopwaar; dat alhoewel het beding
formeel ingekleed werd als een herroepings- of beëindigingsbeding de
vergoedende aard ervan echter noopt dit te kwalificeren als een strafbeding; Overwegende dat niet
ernstig kan betwist worden dat het beding, in zover het de koper ertoe
verlicht de prijs van de bestelling aan 100% als vergoeding te betaling bij
annultie van de bestelling meer dan 45 dagen na de bevestiging ervan door de
verkoper, in feite niets anders dan een private sanctionering van de koper
beoogt; dat deze al te
verregaande vergoeding inderdaad voor gevolg heeft dat de verkoper er alle
belang bij heeft dat de koper zou opteren voor de beëindiging van de
overeenkomst na de bewuste looptijd van 435 dagen, vermits hij in dat geval
zowel de niet geleverde koopwaar behoudt als de volledige betaling ervan
verkrijgt; dat dergelijke belang
zonder twijfel een op geen rechtsgrond gesteunde verrijking nastreeft; dat de uiteenzetting van
geďntimeerde dat deze goederen niet verkoopbaar zouden zijn omdat zij enkel
op bestelling van haar kliënteel produceert en omdat de modellen
seizoensgebonden zijn, inderdaad niet ernstig kan genomen worden; dat immers niet kan
aanvaard worden dat de kledij die appellante gekozen heeft uit de pret-ŕ-porter
collectie «Kenzo» van geďntimeerde, reeds 45 dagen na de orderbevestiging
onverkoopbaar zou zijn; Overwegende dat
bovenstaande vaststelling echter nog niet voor gevolg heeft dat het beding
naar Frans recht nietig is; dat inderdaad zo de
assimilatie van het strafbeding met een burgerlijke straf naar Belgisch
recht niet toegelaten is, zulks niet het geval is naar Frans recht, vermits
in het Frans recht de strafclausule haar coercitief karakter behoudt (Cfr.
Gilles Paisant «Dix ans d’application de la réforme des articles 1152 et
1231 du Code Civil relative ŕ la cause pénale – loi du 9 juillet 1975»,
Rev. Trimest. Dr. Civil, 1985, p. 647 e.v.); dat in het Franse recht
de strafclausule haar rechtsgeldigheid kan behouden zelfs wanneer het
toegekende bedrag hoger zou kunnen zijn dan de geleden schade omwille van
het comminatoir aspect ervan die maakt dat deze clausule een dwangmiddel
uitmaakt tegen de schuldenaar; dat het beding dus
volgens de lex contractus niet
nietig is; Overwegende dat de
toepassing van het beding evenmin dient geweerd als zijnde strijdig met
Belgische internationaal privaatrechtelijke openbare orde; dat dit begrip enger is
dan de interne openbare orde en de excipierende werking van de
internationale openbare orde slechts in uitzonderlijke gevallen geldt; dat een wet van
binnenlandse orde slechts van internationaal privaatrechtelijke openbare
orde is voor zoveel de wetgeverdoor de bepalingen van die wet een principe
heeft willen bekrachtigen die hij als noodzakelijk beschouwt voor de
gevestigde zedelijke, politieke of economische orde en om die reden, naar
zijn mening, noodzakelijk in België de toepassing van elke regel moet
uitsluiten die ermee in strijd is of ervan verschilt; dat art. 1131 BW aan
bovenstaande vereiste niet beantwoordt; dat de internationaal
privaatrechtelijke openbare orde enkel de toepassing van een buitenlandse lex
contractus opzij vermag te zetten m.b.t. voor de internationale
gemeenschap onaanvaardbare gevolgen, zoals bv. smokkelarij, deviezentrafiek,
prostitutie enz. (Cfr.
Rigaux F., Droit International Privé,
T.II, 1993, p. 361 «Les mots ordre public international désignent trčs
correctement des principes communs ŕ l’ensemble des nations… il en est
ainsi des contrats ayant pour objet la contrebande, un trafic de devises ou
de marchandise prohibé par la loi d’un des Etats qui y est intéressé…»); dat een schadebeding dat
de schuldeiser een groter voordeel oplevert dan de normale uitvoering van de
overeenkomst niet kan gekwalificeerd worden als onaanvaardbaar voor de
internationale economische gemeenschap daar waar in meerdere rechtstelsels
dit als onaanvaardbaar en geldig wordt erkend en aan de rechter de
bevoegdheid gelaten wordt om ze te milderen indien nodig (Cfr. M. Fontaine
– Droit des obligations p. 163); dat de toepassing van
Franse wet die, in tegenstelling tot de Belgische wet, de assimilaltie van
het strafbeding met een burgerlijke straf toelaat, weliswaar indruist tegen
de Belgische interne openbare orde (art. 6, 1131 en 1133 BW) doch het
strafbeding als dusdanig niet als strijdig kan worden beschouwd met de
Belgische internationaal privaatrechtelijke openbare orde; Overwegende dat naar
Frans recht de rechter krachtensartikel 1152 al. 2 (ingeverd bij wet n°
75-597 d.d. 9/7/1975) van het Burgerlijke Wetboek over de mogelijkheid
beschikt om ambtshalve tot wijziging of verlaging van de overeengekomen
straf over te gaan indien deze manifest overdreven is (Cour de Cassation
27/3/19990, Receuil Dalloz-Sirey 5/7/90, Jur.
P390); Overwegende dat, zelfs in
acht genomen het feit dat het strafbeding naar Frans recht niet louter
vergoedend is en evenzeer een comminatoir karakter heeft, er te dezen
aanleiding bestaat het beding als kennelijk onredelijk aan te merken in het
specifieke geval van afzegging van de koop meer dan 45 dagen na de
orderbevestiging; dat inderdaad, zoals
reeds hoger vastgesteld, het volstrekt onredelijk is dat de conventionele
schadevergoeding in dat geval tot 100% van de koopprijs zou oplopen nu de
afzegging van de bestelde kledij door de koper nog een volle maand voor de
begindatum van de voorziene leveringstermijn redelijkerwijs niet voor gevolg
kan hebben dat deze kledij niet meer verkoopbaar zou zijn; dat het inderdaad niet
denkbaar is dat geďntimeerde er niet in zou slagen de onder deze
omstandigheden afgezegde bestelling aan verminderde prijs binnen haar
klantenkring of elders te verkopen; Overwegende dat het Hof
het passend en billijk acht het strafbeding te dezen te herleiden tot 50%
van de verkoopprijs en het hoger beroep in die voege gegrond verklaard;
OM
DIE REDENEN HET
HOF, Recht
doende op tegenspraak. Gelet op artikel 24 van
de Wet van 15 juni 1955; Ontvangt het hoger beroep
en verklaart het gegrond in navolgende mate; Doet het bestreden vonnis
teniet, en, Opnieuw wijzende, Verklaart de eis van geďntimeerde
deels gegrond; Bevestigt het bestreden
vonnis mist deze wijziging dat het bedrag 89.109 Franse Franken dat dient
omgerekend in Belgische Franken volgens het hoogste koers op de dag der
betaling, herleid wordt tot 44.554,50 Franse Franken; Verwijst appellante en geďntimeerde
ieder tot de helft der kosten in beide aanleggen, begroot op 10.880 Fr
rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, 6.200 Fr rolrecht hoger beroep en
14.400 Fr rechtsplegingsvergoeding hoge beroep aan de zijde van appellante
en op 6.764 Fr dagvaarding, 10.880 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg,
14.400 Fr rechtsplegingsvergoeding hoger beroep aan de zijde van geďntimeerde; Zegt voor recht dat de
kosten van tenuitvoerlegging rechtens ten laste van de partij komen tegen
wie de tenuitvoerlegging wordt gevorderd; (…)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |