|
|
|
Case
Identification
Date of
Decision: 30 March 1994 Jurisdiction:
Belgium Tribunal: Rechtbank
van Koophandel, Hasselt Case
Number: (?) Parties: B.V.S v. O Seller’s
Country: Netherlands (Plaintiff) Buyer’s
Country: Belgium (Defendant) Good involved: Plants Judges: P. Vanhelmont et al Status: Published
in Rechtskundig Weekblad 1994-1995, nr. 8, 22 oktober 1994, 264-266, note by
Johan Meeusen Classification
of issues present
Application of CISG: No Applicable
law - Convention on the law applicable to the contracts for the
international sale of goods (Hague Conference, June 15, 1955) – law chosen
by the parties – if none – law of residence of seller (art. 3) Damages
– right of seller in case of non-payment Interest – right of seller in case of non-payment –
Interest rate - Official rate of seller’s country plus 1% Payment by installment – not permitted since invoices
more than two years old Text
of the Decision In feite
Eiseres
factureerde planten aan verweerster op 23 januari 1992 voor 4.822 fl. en op
3 februari 1992 de vrachtkosten voor 226 fl. Eiseres rekent die bedragen om
aan 115.495 fr. en 4.136 fr. Volgens
eiseres waren aan die facturen voorwaarden gehcht die voorzien in een
schadebeding van 15% en verwijlinteresten à 8%, zodat zij – rekening
houdend met betalingen door verweerster – de afrekening er afrekening er
als volgt uitziet: - hoofdsom
115.495
+ 4.136
_______
119.631 - betaald
- 70.000
_______
49.631 -
schadebeding 15%
10.445 -
verwijlinteresten 8%
+ 25.929
_______
86.005 Verwweerster
beweert dat interesten en schadebeding niet van toepassing zijn nu de
factuurvoorwaarden in de Duitse taal zijn en vervolgens betrekking hebben op
leveringen in de Duitse Bondesrepubliek. Zij vraagt te mogen betalen met
8.000fr. per maand vanaf 15 april 1994 Beoordeling 1.
De factuurvoorwaarden zijn niet van toepassing nu ze in het Duits
gesteld zijn en betrekking hebben op leveringen in Duitsland. 2.
Nu het gaat om de verkoop van een Nederlander aan een Belg, dient de
zaak opgelost te worden volgens het internationaal privaatrecht. De
Belgische verwijzingsregels in geval van internationale verkoop van roerende
lichamelijke zaken worden teruggevonden in het Verdrag van Den Haag van 15
juni 1955. Dat bepaalt
dat de verkoop beheerst wordt door de interne wet van van het door de
contracterende partijen aangewezen land. Die anwijzing moet geschieden bij
uitdrukkelijk beding of onbetwijfelbaar vortvloeien uit de bepalingen van de
overeenkomst. De rechtbank
is van oordeel dat partijen geen land hebben aangewezen en dat hun
rechtskeuze ook niet onbetwijfelbaar voortvloeit uit de overeenkomst. In zo een
geval is overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag van Den Haag van 1955 de
interne wet van het land van de verblijfplaats van de verkoper van
toepassing. Voor zover
het recht dat door het verdrag van 1995 als van toepassing op de
voorliggende rechtsvraag wordt aangewezen, het recht is van een land dat het
verdrag van 1 juli 1963 (houdende een eenvormige wet inzake de
internationale koop van roerende en lichamlijke zaken) bekrachtigd heeft (en
dat was tot 1 maart 1993 in Nederland het geval), dan zijn de regels van de
eenvormige wet van toepassing (zie van Hooghten, Overzicht van de Belgische
rechtspraak in verband met het verdrag, T.B.H.,
1987, 168 e.v.). De
eenvormige wet bepaalt dat in geval van niet-betaling van de koopprijs de
verkoper recht heeft op schadevergoeding (artt. 63.2 en 82 eenvormige wet)
en op interesten tegen het officiële disconto van het land waar de verkoper
zijn vestiging heeft, vermeerderd met 1% (artikel 83 eenvormige wet). De
eenvormige wet stelt de interesten niet afhankelijk van het versturen van
een ingebrekestelling (Van Hooghten, art.
cit., 194). 3.
Te dezen acht de rechtbank een schadevergoeding van 10% billijk. Zij begrijpt
niet hoe eiseres aan 15% van 119.631 fr.( ?), komt op 10.445 fr. Nu zij niet
ultra petita kan toekennen, wordt het gevraagde quantum toegekend. Op het
bedrag van 119.631 fr. Worden interesten toegekend tegen de op dat ogenblik
gangbare officiële Nederlandse discontovoet, vermeerderd met 1%, doch ook
weer met een maximum van 8%, teneinde geen veroordeling uit te spreken ultra
petita. 4.
Verweerster wordt niet toegestaan met afkortingen te betalen nu de
facturen al meer dan twee jaar oud zijn. (...)
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Copyright © Katholieke Universiteit Leuven
Production: Thalia Kruger | Most recent update: 08-02-2010 | Disclaimer URL: http://www.law.kuleuven.be |