Conferentie
Verslag. Conferentie & debat:
Terroristische aanslagen in de VS: |
Hieronder vindt u de uitgetikte versie van de interventies van deze studiedag, die evenwel - tenzij anders is aangegeven - nog niet door de auteurs zijn nagelezen. De nagelezen versies van deze interventies zullen worden opgenomen in het eerstkomende nr. van het tijdschrift Ethische Perspectieven. Inhoud: Voorwoord - Voorstelling sprekers - C.
Fijnaut [nagelezen]- A. Ellian - E. Platti - |
|
Mijnheer de voorzitter, geachte collegas, dames en heren, beste studenten, namens de rechtsfaculteit wil ik u van harte welkom heten op dit debat over de uitdaging van het terrorisme voor de rechtsorde. Diegenen onder u die de laatste dagen een klein beetje hebben nagedacht over de gebeurtenissen zijn inderdaad tot de verbijsterende vaststelling gekomen dat we hier voor iets staan dat we tot nu toe nog niet alleen niet hebben meegemaakt maar dat ook voor de juristen bepaalde nieuwe uitdagingen stelt. Als u de krantenkoppen heeft gelezen van de laatste dagen, wat u ongetwijfeld gedaan heeft, dan zult u tot de bevinding gekomen zijn dat een aantal mensen dit voorval beschouwen als een act of war. Dat wil dus zeggen dat we in staat van oorlog zijn en dat we oorlog moeten voeren. Alleen is de vraag op welke manier men oorlog moet voeren want wij zijn gewoon aan bepaalde vormen van oorlogsvoering -en dat is datgene wat men ook vreest dat zal gebeuren- die te maken hebben met agressies van staten tegen elkaar terwijl het hier duidelijk niet gaat om een agressie van staten. De laatste keer dat dit het geval was, in de oorlog van Koeweit, was het zeer duidelijk dat er een agressie was van één staat tegen een andere staat en dat het klassieke oorlogsantwoord daarop inderdaad een antwoord zou kunnen zijn. Hier gaat het niet om een agressie van staten tegen staten. Aan de andere kant, als het geen agressie is van staten tegen staten, maar het is een daad van terrorisme, hebben wij uiteraard mechanismen in ons rechtsbestel om terrorisme te bestrijden, kijk naar de Lockerbie-affaire waar er inderdaad een tribunaal werd opgericht en waar men een klassieke juridische procedure heeft op touw gezet waarbij men terrorisme beschouwt als een misdaad gepleegd door privé-personen of organisaties. En de vraag is een beetje, in het licht van de nieuwe gebeurtenissen: wat voor soort antwoord we daarop moeten geven. Moeten we dit beschouwen als terrorisme in de klassieke betekenis van het woord, moeten we dit beschouwen als oorlog in de klassieke betekenis van het woord en voor een leek als ik lijkt het dat geen van beide antwoorden bevredigend is en dat betekent dus dat we als juristen moeten denken aan nieuwe oplossingen, aan nieuwe formules om dit soort onrecht te bestrijden, om dit soort onrecht te berechten. Daarover gaat het vandaag en ik ben zeer fier dat de collegas van onze faculteit dit soort debat voeren. U weet dat het sinds enkele jaren de gewoonte is om regelmatig debatten te hebben, buiten het gewone curriculum om, die op maatschappelijke vraagstukken van actueel belang betrekking hebben en de nieuwe juridische uitdaging van het terrorisme is zeker zon vraag van actueel maatschappelijk belang. Ik wens u nog een goede studiedag. Ik wens u een goed debat en wat ik bovenal wens is dat men gaat denken, dat men op zoek gaat naar nieuwe juridische formules om dit soort uitdagingen te beantwoorden; daarvoor zijn we hier als faculteit, dat is onze taak als juridisch laboratorium en dat is wat u vanmiddag gaat zijn. Ik dank u. |
|
Dank u wel decaan voor uw inleidende woorden. Het is mijn taak vanmiddag om als voorzitter-verkeersagent beter gezegd voor dit debat op te treden en ik wou beginnen met de deelnemers aan het debat aan u voor te stellen. Aan mijn uiterste rechterzijde ziet u de heer Axel Buyse, journalist buitenland van De Standaard, naast hem collega professor Jan Wouters, hoogleraar internationaal publiekrecht aan deze faculteit, links van hem doctor Afshin Ellian, ik moet meteen zeggen, zijn voornaam is een beetje contra-intuïtief voor ons niet Ellian maar wel Afshin en Ellian is zijn familienaam; doctor Ellian is docent internationaal strafrecht aan de universiteit van Amsterdam. Hij is een aantal jaren geleden gevlucht uit Iran, is dan een tijd kunnen verblijven in Pakistan, is daarvandaan weer gevlucht naar Afganistan, heeft daar medicijnen gestudeerd, een aantal jaren met succes maar heeft dat moeten onderbreken om door de omstandigheden gedwongen te vluchten. Hij is via de Verenigde Naties uiteindelijk in Nederland terechtgekomen, heeft daar rechten gestudeerd en wijsbegeerte te Tilburg en is nu docent internationaal strafrecht in Amsterdam. Hij is dus én vakmatig maar ook vanuit zijn eigen ervaringswereld een zeer welkome gast in dit debat en wij danken hem voor zijn komst. Links van hem professor Cyrille Fijnaut, hoogleraar criminologie en internationaal strafrecht zowel hier te Leuven als aan de universiteit in Tilburg en tenslotte links van hem en rechts van mezelf professor Emilio Platti, islamoloog, hoogleraar hier te Leuven aan de theologische faculteit en ook een groot deel van het jaar werkend en verblijvend in Caïro. Dus u ziet, aan deze kant van de tafel zijn een aantal verschillende invalshoeken en ik verwacht ook verschillende reflecties Het lijkt alsof de gebeurtenissen van 11 september ons met de neus op het feit drukken dat er een realiteit aan het ontwaken is die zich onttrekt aan elke common sense en common sense in de letterlijke zin: een gemeenschappelijk waarde- en normenbesef dat over de diversiteit van culturen en opvattingen een internationale gemeenschap en een internationale rechtsorde zou kunnen dragen. Hoe moeten we met die confrontatie omgaan? Laat dat, zou ik zeggen, aan deze faculteit een stuk van de achtergrond zijn van het debat wat we ingaan. Genoeg ingeleid, ik geef nu graag het woord aan professor Fijnaut die vooral gekend is omwille van zijn kennis van zaken op het gebied van de internationale misdaadbestrijding en de terreurbestrijding. Hij is ook al een aantal jaren gasthoogleraar aan de New York University en heeft dus ook de laatste dagen in nauw contact met de collegas en de bekenden en vrienden daar de feiten mee mogen ervaren en opvolgen. |
|
Ik moet u zeggen, één van de redenen waarom ik vandaag mee dit debat steun is zeker ook mijn betrokkenheid bij New York en bij de New Yorkse universiteiten en in het bijzonder New York University (NYU). Maar niet alleen heb ik als gasthoogleraar aan NYU School of Law een band met New York. Er zijn ook elk jaar 4-5-6 studenten van Leuven die aan NYU School of Law in allerlei LLM-programmas zitten en die ik zodoende in New York tref, vaak trouwens hier al leer kennen en mee op weg help in de richting van Manhattan. Ik zou eigenlijk willen beginnen met een citaat uit een e-mail van één van de Leuvense studenten die in New York is geweest het voorbije jaar en die mij in juli het volgende schreef: Terugkijkend op het jaar dat ik heb mogen meemaken, kan ik niet anders dan concluderen dat het mijn stoutste verwachtingen heeft overtroffen. De academische voortreffelijkheid waarvan ik heb mogen genieten, de wereldstad die ik heb mogen ontdekken, de exposure aan vaak erg getalenteerde medestudenten, de verschillende culturele invalshoeken die ik heb mogen absorberen, alle werden ze mij voorgespiegeld bij mijn vertrek nu een jaar geleden, maar geenszins kon ik mij voorstellen dat de ervaring die mij te wachten stond zo intens verrijkend kon zijn. Zo is inderdaad de sfeer rond Washington Square en NYU Law School, middenin Manhattan, en dus kan men wel begrijpen dat als op een kilometer afstand terroristen met verkeersvliegtuigen moedwillig de Twin Towers tegen de grond vliegen en 5-6000 mensen mee de dood in sleuren, dat dit ook in de gemeenschap rond Washington Square, de Law School en NYU heel veel heeft losgemaakt. Maar aan de andere kant, en dat is de kant van New York die burgemeester Giuliani zo sterk belichaamt: de New Yorkers zetten wel door. Toen ik vannacht thuiskwam, trof ik een e-mail aan collega Jerry Skolnick van de Law School. En ik wil toch ook even iets citeren uit die e-mail om u te laten proeven van de sfeer in New York, aan NYU Law School. Dit citaat laat zien waarom we solidariteit met die stad en met deze rechtsfaculteit moeten opbrengen. Hij begint zijn e-mail met te zeggen It continues to be an extraordinary time for New York City in the aftermath of the disaster. People and institutions remain communal. You may have seen the issue of the New Yorker with the brilliant and appropriate death black cover reflecting the mood of the city. En dan beschrijft hij hoe hij met zijn vrouw ging wandelen in de buurt van Lincoln Centre, het grote centrum voor de kunsten, hoe zij toevallig in een concert terechtkwamen van een mix van mensen uit diverse gezelschappen die vaak in Lincoln Centre optreden en vertelt hij dat ze daar zijn binnengelopen en met groot genoegen naar Mozart hebben geluisterd en naar Haydn en naar Schubert. Hij eindigt zijn e-mail aldus: So life goes on. We teach, we go to lectures, we read, we are busy, we are well, but in the background we feel anxiety plus a welcome sense of community such as I have never expierenced in this often tough, fast moving city. All the best, Jerry. Zo dat was vannacht nog even een boodschap recht vanuit Manhattan naar de vrienden all over the world. Dus de New Yorkers proberen de draad van het leven terug op te pakken en geven college aan Washington Square terwijl er nog altijd 5-6000 mensen in de puinhopen van de Twin Towers liggen. Dat geeft mij wel een beetje moed om ook hier door te gaan en na te denken over wat er is gebeurd en wat ons misschien ook staat te wachten en hoe we daartegen moeten ageren en eventueel op reageren. En ik wil in de paar minuten die ik heb drie kwesties aan de orde stellen. Punt 1: wat er is gebeurd? Die aanvallen op de Twin Towers en op het Pentagon, wat voor soort terrorisme is dat nu eigenlijk? Mijn tweede punt is: hoe ziet men dit terrorisme in de Verenigde Staten en welk beleid moet er volgens gezaghebbende mensen worden gevoerd om het te beheersen en als het kan te voorkomen? In de derde plaats zou ik kort iets willen zeggen over het beleid van de Europese Unie zoals dat in de voorbije weken op het niveau van de Raad is uitgestippeld. Nu het eerste punt: terrorisme en wat voor terrorisme is dit. In Europa zijn we al decennia lang in een discussie verwikkeld over wat terrorisme eigenlijk is en hoe je het kan definiëren. Eigenlijk is men er nooit goed uitgekomen. Ik ga hier dan ook geen lange bespiegelingen houden over alle mogelijke definities. Om echter te begrijpen wat er nu gebeurd is, is het niettemin goed om toch een paar noties mee te geven. In die discussie maakt men dikwijls een onderscheid tussen terreur aan de ene kant en terrorisme aan de andere kant. Terreur wordt in de Europese context gezien als een schrikbewind dat van staten of van regeringen of van regimes uitgaat en zoals we dat kennen in oorlogssituaties of in tijden van revolutie. We kunnen denken aan de terreur uit de Franse Revolutie met mensen als Robespierre en Saint Just maar er is natuurlijk ook de terreur uit de twintigste eeuw. Ik denk aan de terreur van de Einsatzgruppen achter het Duitse leger in de Tweede Wereldoorlog. Men kan echter ook denken aan de terreur van het Duitse leger dat in 1914 Leuven binnenkomt en terreurmaatregelen treft om zijn bewind hier te vestigen. Als men het heeft over terrorisme, toch zeker in de Europese context, dan denkt men meestal niet aan staten of regimes maar eerder aan non-statelijke of sub-statelijke bewegingen en organisaties die systematisch geweld ontplooien, niet alleen geweld tegen goederen maar vooral ook geweld tegen personen en die dat doen om ingrijpende politieke veranderingen te bewerkstelligen. Het is verder natuurlijk zo dat er tussen terreur en terrorisme alle mogelijke schakeringen en wisselwerkingen bestaan. Je kunt terreur hebben en regimes die op terreur gebaseerd zijn maar die tevens terroristische aanslagen en ontwikkelingen bevorderen in andere landen, en omgekeerd: als je bewegingen hebt waarvoor terrorisme een legitiem middel is en die frequent terroristische aanslagen plegen, krijg je onwillekeurig een klimaat van terreur. Ik denk nu even aan Noord-Spanje, aan de ETA. Veel mensen uit dat deel vanSpanje hebben het gevoel dat er terreur in de streek heerst, dat ze niet meer kunnen zeggen wat ze denken, dat ze niet meer kunnen spreken met elkaar, dat ze constant op hun hoede moeten zijn of anders wacht hen ook de dood. Wat voor dit terrorisme in de wat engere zin belangrijk is, is dat algemeen gesproken met hele gewone middelen kan worden bedreven, maar ook met hele buitengewone, extra-ordinaire middelen. Op de tweede plaats wordt dikwijls gesteld dat terrorisme wreedaardig is, puur omdat het doelbewust mensenrechten of gebruikelijke standaarden in het menselijk verkeer schendt. Een derde kenmerk is dat terrorisme meestal naar tijd en plaats onverwacht wordt gepleegd, vaak niet wordt aangekondigd; het grijpt opeens plaats. En op de vierde plaats is het een belangrijk punt dat terrorisme vanuit de clandestiniteit, vanuit de anonimiteit wordt bedreven. Wat het schrikbarend karakter ervan natuurlijk ook aanzienlijk versterkt. Je weet niet vanwaar het gevaar komt, je kunt het moeilijk definiëren, je kunt het niet localiseren naar tijd en plaats. Als je nu kijkt naar de terrorismeproblemen in Europa, dan kennen we vooral terroristische bewegingen van nationalistische of separatistische snit, de ETA, de IRA en andere bewegingen of groeperingen in Noord-Ierland. Verder zijn er de links-extremistische of rechts-extremistische uit de jaren 70 en 80 die zich ook op een terroristische manier gedroegen: de Rote Armee Fraktion in Duitsland, de Rode Brigades in Italië, de Action Directe in Frankrijk en zo kan je nog een aantal voorbeelden noemen. Wat in dit verband ook belangrijk is is dat er bij dit terrorisme gewoonlijk een duidelijke band bestaat tussen de daden die men stelt en de slachtoffers die men maakt en op de tweede plaats dat het over het algemeen niet gaat om massaal slachtoffers te maken maar om bepaalde, haast symbolische slachtoffers. Het is overigens niet altijd zo. Ik denk bijvoorbeeld aan de aanslag in 1980, algemeen toegeschreven aan rechts-extremisten, op het station in Bologna. Daar vielen tegen de 90 doden en 200 zwaargewonden. En als je het aantal doden in Noord-Ierland telt over de jaren, dan kom je ook aan meer dan 3000 mensen. Bij elkaar is dat dus ook bepaald niet niks. Maar en zo kom ik bij mijn tweede punt- wat we dan de laatste 2-3 jaar gezien hebben, en dat heeft in Amerika veel losgemaakt, is terrorisme waarbij men er kennelijk op uit is zoveel mogelijk slachtoffers te maken. In Amerika zelf denkt men dan al heel snel aan de Oklahama-bomaanslag waarbij dat grote federale kantoor werd opgeblazen en natuurlijk aan de aanslagen op de Amerikaanse ambassades in Afrika. En wat voor New York heel belangrijk is en voor Amerika in het algemeen, dat was aanslag op het World Trade Centre in 1993. Toen is de Amerikaanse federale overheid al allerlei maatregelen gaan treffen, om zulk terrorisme tegen te gaan. Toch had men constant het gevoel niet voldoende voorbereid te zijn op wat Amerika te wachten stond, zowel op het eigen grondgebied als ook buiten de Verenigde Staten zelf. Dat gevoel heeft geleid tot de instelling van een commissie, The National Commission on Terrorism, die in 1999-2000 honderden agenten van de FBI, CIA en andere diensten heeft geconsulteerd en een huiveringwekkend rapport van een 45 bladzijden geschreven heeft getiteld Countering the Changing Threat of International Terrorism. Hierin wordt gesteld dat het terrorisme inderdaad van aard aan het veranderen is en dat het er niet meer om gaat om selectief slachtoffers te maken, gelieerd als het ware aan het doel dat men nastreeft, maar dat men er op uit is -wat de Verenigde Staten betreft ook gevoed door een grote haat- om zoveel mogelijk slachtoffers te maken: "designed to kill as many people as possible." Met conventionele middelen, zoals we gezien hebben, met gewone verkeersvliegtuigen, maar ook als het kan en moet eventueel met buitengewone middelen, zoals biologische wapens, chemische wapens enzovoort. Dit laatste is zeker ook een belangrijk punt in dat rapport, niet dat men er nu al over beschikt en ze nu al kan inzetten, maar dat men bereid is om ze in te zetten en dat men inspanningen doet om deze middelen in handen te krijgen. Dit rapport ademt dus een enorme sense of urgency uit: het is werkelijk hoog tijd, à la minute kunnen die aanslagen hier op Amerikaans grondgebied of tegen Amerikaanse doelen buiten Amerika plaatsvinden. Wij moeten ons daar hier en nu tegen wapenen. De commissie beseft ook wel dat je terrorisme niet alleen kunt bestrijden met politie en justitie en met militair geweld, maar dat zijn aanpak een brede, gedifferentieerde strategie vereist. Nu de dreiging echter zo acuut is moeten er onmiddellijk defensieve maar ook offensieve maatregelen worden genomen om dat gevaar te bezweren. Waar het gaat om de verwerving van intelligence, moet een aantal beletselen worden weggenomen. Er moet veel meer en op een agressieve manier worden gedaan aan human intelligence, dus het werven van informanten, het infiltreren van bewegingen. We hebben veel geïnvesteerd in technical surveillance, dataverzameling via alle mogelijke technologische middelen, maar de human intelligence is ernstig achterop gebleven. Daarom, schrijft de commissie, weten we niet precies wie er actief zijn, weten we niet precies wat ze van plan zijn. En omdat je met dit soort terrorisme in een paar minuten een enorme chaos kunt creëren in een land, moet je werkelijk bovenop de potentiële daders zitten om op tijd te kunnen ingrijpen. Hierom doet de commissie deze en andere belangrijke aanbevelingen om het internationale terrorisme te bestrijden. Het is dan ook geen wonder dat de voorzitter van deze National Commission bij herhaling op de Amerikaanse nieuwszenders heeft verkaard dat voor hem de aanslag op de Twin Towers en de aanslag op het Pentagon geen verrassing was. Het was een afschuwelijke gebeurtenis maar dat was precies wat hij in zijn analyse van de situatie eigenlijk alle dagen verwachtte in Amerika. Natuurlijk heeft dat in Amerika veel losgemaakt. Waarom waren wij niet meer voorbereid en hebben we niet in een veel hoger tempo maatregelen genomen om dit te voorkomen? Dan kom ik aan mijn derde punt, de Europese Unie. De Unie kent op dit ogenblik niet een dergelijk rapport en als men kijkt naar de stukken van de Europese Raad, met name die van de Working Party on Terrorism, dan geven die helemaal geen blijk van een sense of urgency. Tot in juli gingen die over een vrij bureaucratische discussie betreffende het uitwisselen van inlichtingen en het toezenden van een gestandaardiseerd bulletin als er eenmaal aanslagen hebben plaatsgevonden; dit is het wel zon beetje. Zij geven ook helemaal niet het gevoel dat er een probleem zou kunnen rijzen voor Amerikaanse doelen op Europees grondgebied, ook hier vlak in de buurt, op Belgisch grondgebied- ondanks de National Commission in Amerika en ondanks de statements van de FBI- en CIA-leiders in het Amerikaanse Congres. Ik moet hierbij zeggen dat, als je alle stukken naast elkaar legt die in het voorbije jaar in de Europese Unie zijn gepubliceerd, dat dan eigenlijk het Europees Parlement veel alerter is geweest, op papier in elk geval, dan de Raad want er is op 12 juli van dit jaar een rapport gepubliceerd door één van de Commissies van het Europees Parlement dat wel iets overdraagt van dat gevoel dat de aard van het terrorisme ingrijpend aan het wijzigen is, dat we daar in de Europese Unie niet tegen opgewassen zijn en dat we absoluut maatregelen moeten nemen. Goed, dan gebeuren die aanslagen en dan zie je dus dat de Europese Unie wel verrast werd. Dit kun je zien aan de manier waarop de discussie de eerste dagen liep en de moeite die men had om één lijn te trekken. Als je verder kijkt naar het beleid dat is uitgestippeld dan geeft dat ook aan dat men helemaal aan het begin staat van wat momenteel in de Verenigde Staten als een volwaardige offensieve strategie tegen het terrorisme wordt beschouwd. Men gaat nu pas de hoofden van de inlichtingendiensten en van de speciale eenheden verplichten om samen te komen, nu pas wordt er bij Europol een echte unit met experts opgericht. Dit zijn maatregelen die vanuit deze crisis nu plots worden genomen maar iedereen die iets weet van intelligence, zeker op zon gevoelig gebied als dat van het terrorisme, die weet dat je er natuurlijk niet mee bent om mensen bij elkaar te zetten. Want nu zul men dus Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Duitsland ertoe moeten zien te bewegen om à la minute informatie prijs te geven aan zon unit en dit binnen een structuur waarmee ze helemaal niet vertrouwd zijn. Bij het welslagen van deze actie heb ik eerlijk gezegd wel mijn vragen. Eén van mijn vragen is: als je van alle kanten informatie krijgt, dan is één van de grootste problemen de selectie van de informatie en vervolgens de prioritering van de actie in functie van de assesments van die informatie. Om dat te kunnen doen, moet er echter eenheid van beleid zijn en eenheid van actie die in de Europese Unie op dit gebied nooit hebben bestaan en Europol beschikt op grond van het Europolverdrag ook niet over de bevoegdheid om op deze manier de lidstaten te sturen in hun onderzoeken. Hierom heb ik grote vragen bij de effectiviteit van het beleid van de Europese Unie ten overstaan van een probleem waarbij met hele gewone middelen reusachtige rampen kunnen worden veroorzaakt. |
|
Goede middag dames en heren. Ik wil eerst professor Fijnaut bedanken. Hij heeft mij gebeld en uitgenodigd. Ik wil professor Foqué bedanken, van deze gelegenheid ga ik misbruik maken, niet alleen voor deze bijeenkomst maar voor zijn politiek-filosofische geschriften waarvan mensen als ik heel veel geleerd hebben. Voordat ik begin, mijn voornaam is Afshin, dan kunt u altijd denken aan afzien dan vergeet u het niet. Ik heb uiteraard die studies gedaan, Nederlands recht en strafrecht, internationaal recht en politieke filosofie in vrij korte tijd in Nederland. Ik ben opgegroeid als een revolutionaire kind, marxist, we gingen op straat, ik was toen twaalf jaar oud, een intifada-kind, al kende men het woord intifada in mjn tijd nog niet. Eén van de eerste boeken die ik in mijn leven had gezien heette de sta revolutie, van Lenin, niks van begrepen maar ik vond dat die meneer er streng uitzag. Zodoende kwamen wij er langzamerhand ook achter dat al die ayatollas van ons geen Lenin en geen Robespierre maar wat de reden is dat die ayatollaleider zijn geworden ga ik nu niet uitwerken, want daarvoor ben ik niet hier. Maar uiteraard, door dit hele leven, ik moest op mijn zestiende onderduiken dienstplichtig, het was heel gevaarlijk, het was oorlog tussen Iran en Irak, heb ik een heleboel ellende doorgemaakt, er was geen plaats meer voor mij in Iran hulp aan voortvluchtige personen we besloten om te vluchten, zijn naar Pakistan gegaan, dat was ook moeilijk omdat de Pakistaanse regering had een geheim contract om links-liberaal en alle andere groepen uit te leggen in botsing met de Amerikanen want die vrienden van de Amerikanen Afganistan, wat maakt ons uit dat daar burgeroorlog wordt gevoerd, wij kunnen ons daar vestigen om eventueel vormen van verzet te organiseren. dDnk nooit aan aanslagen en bommen, het hoogste wat wij konden doen was een pamfletje maken en daarvoor zijn ze ook al geëxecuteerd. Met verzet bedoel ik gewoon onthullingen plegen. Wij waren geen terroristische groepering. De meeste verzetsgroeperingen van een land als Iran zijn geen terroristische groeperingen. Zelfs terreur heeft daar een heel andere betekenis, een heel ander doel: je gaat gewoon een generaal neerknallen en niet burgers, absoluut niet, ze willen juist populair worden bij de burgers, denk aan Robin Hood. Dat is meer revolutionair terrorisme als het daar is maar de nieuwe vorm van terrorisme dat we aantreffen, dat is iets dat ik zou benaderen vanuit een andere invalshoek. Aanzet tot haat moet strafbaar gesteld worden op grond van fundamentalisme, dus eigenlijk bedoel ik: maak fundamentalisme strafbaar en dat heeft tot een heleboel discussies geleid omdat het op grond van het Wetboek van Strafrecht niet mogelijk is om iemand die vindt dat Europeaan minder is dan een hond en moet gestraft worden, Europeaan is geen ras, dus kan je niet op grond van rassendiscriminatie iemand aanpakken. Europeaan is geen sekse, Europeaan is ook geen religie, Europeaan is iets heel vaags, met veel moeite proberen we elke dag erachter te komen wat een Europeaan zou zijn. U weet misschien: Azerbeidjan behoort nu tot Europa omdat het lid is van de Raad van Europa en een mensenrechtenverdrag heeft getekend en daarom mogen ze meedoen aan de voetbalcompetitie. Iran kan ook een Europees land worden en dan kan het meedoen aan voetbal en dat is heel interessant want daarachter zit iets heel interessants, die mensenrechten. Europa is het continent van de rechten van de mens, niet het continent van chauvisme, racisme en allerlei andere opvattingen maar het continent van de rechten van de mens. Dat is de aspiratie van het Europeaan zijn, je kan ook als Afrikaan Europeaan zijn. Dat heeft tot een heleboel discussies geleid. Ik heb een enorm respect voor de islam als religie. Niet op grond van opportunisme dat ik eventueel zou gedood worden op straat, daarvoor ben ik ook niet bang, neen, dat is mijn overtuiging, islam als religie is iets anders dan de politieke islam. De politieke islam, zal ik een beetje proberen aan te tonen, is de vijand van de mensheid in termen van mensenrechten, is te vergelijken met Sovjetregime en dat soort dingen. De islam als religie van één miljard mensen is een respectabele religie die niet voor oorlog staat, zelfs jihad wordt buitengewoon verkeerd gebruikt en dat weten zij. Islam als religie staat vooral, wat politiek betreft, voor een mooi woord dat René Foqué uitputtend heeft geprobeerd de afgelopen jaren te begrijpen: politiek, zonder lidwoord, publieke ruimte, polis, medina. Daarvoor is islam. Medina betekent het civiele, de stad, zoals we in het Latijn gebruiken. Medaniat (?) civilisatie is het afgeleide woord, zoals civilisatie is van civiele. Geciviliseerde dat is iemand die door de stad is geciviliseerd. Wie zich buiten de stad plaatst, is of een beest, of een god, of zoals Nietzsche zegt, een filosoof. Dat is het uitgangspunt van islam. Daarom heet de stad waarnaar Mohammed is gevlucht niet meer Jasr maar Medine. Van meet af aan waren er mensen die zich wilden onttrekken aan het civiele. Het waren ongeciviliseerde mensen, de mensen die een aanslag wilden plegen op Mohammed, die man wilden doden gewoon, terreur. Hij is gevlucht, islam is ontstaan bij gratie van een aanslag. Terreur. Drie van de belangrijkste kaliefen zijn vermoord. Het hele probleem van aanslagen plegen, een sectaristische beweging was juist iets tegen Mohammed. De man had nooit geweld gebruikt in Mekka, maar die konden niet dulden dat die man een andere opvatting heeft. Ik ga hierover niet verder want ik ben ook geen pleitbezorger van een religie, ik ben echt een wetenschapper, maar dit moet ik wel benadrukken dat jullie niet straks naar huis gaan en denken: Wat een islamkiller hier, zoals sommige mensen hebben gesuggereerd in Nederland, ten onrechte. Ik ga even verder met de kenmerken van politieke islam: politieke islam: 1. verschrikkelijk om het te zeggen, heeft een westerse oorsprong, is niet een islamitisch fenomeen. Politieke islam is een revolutionair begrip, heeft een revolutionair moment. Revolutie is een westers woord, een westerse politieke categorie. Mohammed kende het niet, oude Grieken kenden het ook niet. Ze kenden het niet. Het regime kan verschillende vormen krijgen en omvergeworpen worden. Omvergeworpenheid of omverwerping, niet revolutie, dat kenden ze niet, want revolutie is een modern fenomeen. Revolutie veronderstelt vele andere dingen die mensen in de oudheid niet konden veronderstellen; er is een direct verband met de moderne tijd, met de rationaliteit, met de maakbaarheid, de voorspelbaarheid van de geschiedenis, vele andere uitgangspunten die ik hier echt niet kan uitwerken in een paar seconden. U kan het boek van Hannah Arendt lezen over revolutie, en vele andere geleerden. Het is een Europees fenomeen. Iraanse revolutie is een preciese nabootsing van Europese revoluties. Daardoor hebben ze politieke islam, zijn die mensen erfgenamen, zoals Bush terecht heeft gezegd, van twee verschrikkelijke Europese fenomenen: fascisme en communisme, erfgenamen van het totalitarisme en dat is heel iets anders dan een dictatuur of zo. Ik herinner me een gesprek met een Chileense vluchteling in Kabul, een arts, hij zei: Wat vind je als ik naar Iran zou gaan? Ik zei, nou dan mag je van mij meteen gaan als ik naar Chili mag gaan. Hij zei: waarom? Chili is heel erg. Toen was Pinochet natuurlijk aan de macht en hij was lid van de partij van Allende. Ik zei, nou kijk, in Iran mag je geen stropdas dragen. Ik heb vrienden, studenten die ze dragen, nog drie keer en vier keer en dan gaan ze het uitdoen en lijken op die enge mensen die u ziet op televisie uit die landen omdat ze er zo moeten uitzien, zoals Taliban willen dat iedereen een baard heeft in Afganistan. Muziek luisteren is verboden, popmuziek is verboden. Dus een totalitair regime grijpt niet alleen in in gewone politieke zaken. Lees de boeken van Milan Kundera om precies te weten wat het totalitarisme is; dat is een groot verschil met een dictatoriaal regime. Toen ik dat had verteld zei hij: Neen, ik blijf toch waar ik ben en ga niet naar Iran. Het tweede kenmerk is dat ze een anti-politieke houding hebben. Politieke islam, het klinkt contractictorisch en raar, maar is een antipolitieke beweging. Men wil politiek opheffen want politiek betekent conflicten en meningsverschillen. Politieke islam wil politiek opheffen want politieke islam heeft politiek, publieke ruimte dus, gefundeerd op een absolute waarheid, wat we nooit voor politiek hebben. Voor politiek hebben we alleen rechtsbeginselen, die ons moeten helpen om op een vreedzame wijze steeds te zoeken naar mogelijkheden of waarheden voor een concrete situatie. Het recht is een instrumenteel iets, dat ga ik niet uitwerken. Over geweld wil ik het hebben want waarom zon massaslachting? We zijn gek en een meisje zei tegen mij: Die bin Laden is toch knotsgek want stel je voor dat die Amerikanen boos worden, dan gaan ze rare wapens inzetten en iedereen is dood. Ik lachte, ik zei, heel onschuldig maar voor de zaal was het lachwekkend, ik zei: Wat maakt het uit, de mensheid begon ook ooit met twee personen. Dat is het, voor hen maakt het helemaal niets uit. Ze geven niet om de mensheid. Daarom zijn ze vijand van de mensheid. Voor hen mag heel New York afbranden. U vroeg mij: Wat is uw religie? en hoe ik denk over religie. Ik heb u geen antwoord gegeven, maar ik wil nu antwoord geven. Mijn antwoord heeft ook betrekking op politiek en niet op u als persoon, ik ga even u fixeren: Ik heb een hekel aan iemand die aan mij vraagt: wat is uw religie; ik pleeg verzet tegen de vraag omdat ik ben gevlucht voor die vraag, omdat ruim 10000 mensen in Iran zijn geëxecuteerd, mensen die op mij of op jullie lijken, gedurende drie maanden, met drie eenvoudige vragen: Ben je moslim? Nou, moslim, onze ouders wel maar wij lezen ook Dostojevski. Dan word je geëxecuteerd. Er was een tekort aan kogels in Iran, ze moesten ze ophangen. Tweede vraag, als je toevallig zo slim was, als je een goed antwoord had gegeven: Heb je gebeden vanochtend? Nou, dan doen we niet meer. Toe ik kind was Verkeerd antwoord: geëxecuteerd. De derde vraag, als je ze allemaal goed hebt beantwoord: Neem je afstand van de rechten van de mens, vrijheid, al die dingen die je zegt en die in strijd zijn met onze opvatting? En heb je alles gezegd over je vrienden? Nou, velen struikelden over die derde vraag. Ik heb de foto niet bij maar ik heb het op televisie getoond, woestijnachtig gebied, buiten liggen mensen begraven, er is geen graf, niks, er komen jongens en meisjes bloemen planten daar, willekeurig, een massagraf. Dàt is de politieke islam; die moet uitgeroeid worden. Afganistan was een normaal land. Ik heb daar gestudeerd. 60% van de hoogleraren waren vrouwen en nu zie ik dat vrouwen niet op straat mogen gaan. Of die situatie in Iran toen bijna genocide werd gepleegd tegen Sjiiten, het noorden van Afganistan. Het probleem was altijd dat wij dachten hier, ik ga niemand beschuldigen, ik beschouw mezelf ook als een westerling, op grond van mijn paspoort, dat wij allemaal dachten: OK, mensenrechten zijn belangrijk; wij hadden bij Sovjetlanden geen economisch belang, we konden heel hard optreden tegen Polen, wat heeft Polen? Niks. We kunnen hard optreden en zeggen: Jij moet mensenrechten nakomen, democratie. Hafner, Milan Kundera, helden voor ons. Wij willen gewoon mensen als Sacharov hebben. Maar met die islamitische gebieden was altijd een olieprobleem, een geldprobleem, onze economische belangen die ons dreven tot de barbarij bijna, door met barbaren te eten en met barbaars geld om te gaan; daarom was het minder belangrijk dat met vrouwen zo omgegaan is. Als wij vanaf morgen zouden zeggen: Ons buitenlands beleid is nakoming van de rechten van de mens, dan kan je niet meer van dat soort rare bondgenootschappen aangaan met die regimes die uiteindelijk allemaal fout zijn, dat weet iedereen. Dan zijn jouw helden niet meer oliesjeiks maar een dichter uit Saudi-Arabië, dan moet je de moed opbrengen zoals je met de Sovjetunie hebt gedaan, om een dichter te begroeten, om een jurist te begroeten, om een romancier, om een filosoof te begroeten als een grote man of vrouw uit dat land. En ik vind het ethisch gezien nu ook de tijd om dat te doen, omdat we tot nu toe dachten: Het treft ons toch niet hé. En nu zie je dat zij bereid zijn de hele wereld te vernietigen. Nu is het dus hoog tijd om gewoon te gaan denken: misschien gaan we tien jaar of elf jaar economische achteruitgang boeken, maar het is beter zou Socrates zeggen met jezelf eens te zijn en niet oneens want iedereen weet in zijn innerlijke dat het fout is. Waarom ga je, wanneer je het met jezelf oneens bent, zo handelen? We weten allemaal dat het fout is. Ik denk dat het terrorisme niet kan uitgeroeid worden, ik denk dat de oorzaak van het terrorisme ligt bij de politieke islam en vooral mensenrechtenschendingen. Waar mensenrechten worden geschonden, die regimes zijn gevaarlijk voor hun omgeving en nu blijkt ook voor de andere landen van de wereld. Politieke islam is failliet, hartstikke failliet en moet nu alleen nog gedood en ergens
onbekend begraven |
|
Toen u mij gevraagd hebt om hier een paar woordjes te zeggen over islam, vrede, wereldbeheersing of jihad ben ik in mijn oude papieren gaan terugzoeken. Met mijn Egyptische achtergrond was ik er eigenlijk van overtuigd dat de politieke islam, zoals je dat zegt, in Egypte eigenlijk gemarginaliseerd was, dat dit maar ik ken Iran niet- dat het Iran toch blijkbaar ook wel stilaan een andere kant uitgaat, dat het ook zo is voor het Midden-Oosten als geheel, Libanon, Jordanië, Egypte. Maar blijkbaar heb ik mij daarin vergist en moet ik mijn oude papieren en mijn oude fotos van tien jaar geleden in Egypte terug bovenhalen. De vraag die ik mij zelf zo dikwijls stel: Is islam gelijk aan wat sommige moslims zeggen, islam is salaam, vrede, sjaloom in het Hebreeuws zoals we weten, of is het een drang naar wereldbeheersing, naar dominantie? En het woord dat dan natuurlijk bij iedereen terug opkomt, is het woord jihad. Maar jihad heeft zo vele betekenissen. In een boek van el Bouti (???), die een Syriër is, zegt hij: Jihad heeft vier betekenissen, anderen zullen zeggen, het zijn er vijf, maar de eerste betekenis is inderdaad inzet, effort, inzet voor het goede. Islam moet dan de gemeenschap zijn van al degenen die samenkomen om te strijden maar dan, ja strijden, wat is strijd, te strijden voor het goede. Is jihad legitiem gewapend verzet, kan dat eigenlijk nog in deze context na 11 september, of is jihad dan gewapende expansiedrang? De vraag stelt zich en ik heb veel moeite om daar op te antwoorden omdat ik vele antwoorden krijg. In Egypte werd dit soort laatste gewapende strijd geïdentificeerd met terreur. Een acht-negen jaar geleden was er een heel bekend feuilleton elji hebi (??) waarin de star van de Egyptische film de terrorist speelde en men zag daar hoe die man eigenlijk helemaal onbeholpen werd gemanipuleerd, hoe hij die terroristen neerkogelde in Luxor maar dan uiteindelijk zelf ten onder ging en psychologisch als een wrak eruitkwam. De vraag stelt zich dus en deze macht, het is al veertien dagen dat ik als het ware dag en nacht de BBC opzet, BBC World, BBC radio, om de analyses te beluisteren en deze nacht hoorde ik nog dat Bush een onderscheid maakte -men zei Bush doet eigenlijk aan theologie. - tussen aan de ene kant goede moslims, dat is de echte islam, dat is de orthodoxie, de orthopraxie en aan de andere kant de slechte moslims, de heterodoxie, de heteropraxie, de terroristen en zei dat wij de goede moslims aan boord moeten houden. Het is misschien eenvoudig gezegd, simpel uitgedrukt maar ergens gaat het daar toch om. Want wanneer we de wereldbevolking bekijken, met een een zesde, een miljard moslims, dan staan we voor een probleem als we dat miljard moslims niet voor een groot deel aan boord kunnen houden. Een wereldprobleem. Het is dus een politieke noodzaak om inderdaad te zeggen: we houden een groot deel van deze moslimbevolking aan boord en vooral wanneer deze moslims bij ons wonen, in Engeland, in Amerika, in België en Nederland. Deze middag nog, om 11 uur had ik een afspraak met de voorzitter van het islamitisch executief in Brussel die zijn angst en zijn vrees uitdrukte omdat er toch vanuit Nederland slechte berichten kwamen. In Vlaanderen, België is dat wat minder maar als ooit een harde reactie komt van Amerika of van Europa, van de Nato uit, zal er zich dan inderdaad geen reactie tegen moslims voordoen? Dus alleen tegen moslims omdat ze moslims zijn, alleen omdat het een moskee is? Een andere vaststelling is, vanuit mijn Egyptische ervaring, deze zomer was ik daar 2-3-4 maanden en ik moet eerlijk bekennen, ik heb een BBC-panel gehouden enkele dagen na de aanslag in New York en het Pentagon en één van de panelleden was blijkbaar een moslim, immigrant in Engeland en die zei: Er is wijdverspreid, over de wereld, in alle moslimlanden, in het hart van vele moslims in de migratie is er een haat tegen Amerika. Dit is een feit, dit is een vaststelling. s Anderendaags heeft de directeur van de BBC zijn verontschuldigingen moeten aanbieden omdat die taal niet gepast was in deze omstandigheden. Maar uiteindelijk zei die man waarschijnlijk de waarheid. Wij moeten er ons denk ik van bewust zijn dat ergens in de jaren een soort frustratie, een soort haat gegroeid is. Ik ga die niet moreel evalueren; ik stel het alleen vast. Ergens van, zie eens die beelden van Tsjetjenië, van Bosnië, van Kasjmir, van Palestina. Natuurlijk, ik weet het ook, in de Arabische of islamitische landen worden beelden en beeldvorming gekleurd met zingeving, met interpretatie, met eenduidigheid. Altijd: zie eens wat er met onze mensen gebeurt. Wanneer je dat natuurlijk jaar na jaar naar je toe krijgt, ontstaat er ergens een gevoel waarbij ik zou zeggen, ik durf het bijna niet zeggen want het is zo erg: Het is misschien toch goed besteed, je kent de Vlaamse uitdrukking. Ik hoor het als het ware al zeggen. Egyptenaren hebben het laatste jaar van de intifada telkens gezegd: Maar waarom steunt Amerika Israël dan toch tot het uiterste in die mate, zie eens wat er gebeurt met de intifada. Ik heb een foto vergroot voor u, dit is tien jaar oud of minder. Eerste intifada: wij staan klaar voor Palestina, jihad, met de vuisten omhoog. Dat is onze weg. ????? geeft geld voor de overwinning van het Palestijnse volk maar het geld wordt gestort, en dat is interessant, op een Saudisch-Arabische bank. Dit is een affiche van zoveel jaar terug die ik dus gefotografeerd heb in Egypte. Ergens stelt zich de vraag aan deze mensen: expansie-oorlogen hebben we heel de geschiedenis gekend en de laatste laat ons zeggen het Britse Rijk, de rode vesten in West-Afrika, overal in Indië, Pakistan, dat kon, dat mocht. De halve wereld was Brits, Brittania, dat kon, maar nu na de ervaringen van Europa zeggen we: expansie-oorlogen zijn uitgesloten. En dan zegt men: Ja, maar bevrijdingsoorlogen, kan dat dan nog? Kasjmir, Tsjetsjenië, Palestina, kunnen wij dan nog ergens iets doen want van als we bewegen, wij Palestijnen, ik citeer, dan zegt men: ah, terroristen. Sharon zal het elke dag zeggen. De woordvoerder van Israël zal het woord telkens en telkens in de mond nemen. Kunnen wij eigenlijk nog bewegen om onze rechten op te eisen? Dan stelt zich dus deze vraag. Ik laat ze als vraag hangen en ik kom terug op de vorige vraag: Hoe zit het dan met islam, wat laat islam eigenlijk toe? Islam is eigenlijk een algemeen begrip zoals christendom. Er zijn zoveel soorten christenen, je kan ook alle moslims niet onder één noemer brengen. Ik heb hier een boek over een ideoloog, mal doedie , ideoloog van de politieke islam en ??? die Iraniër is in Amerika, zijn laatste zin zegt: From his authority came a new islam. Politieke islam is niet wat de islam was, het is gewoon iets nieuws. Maar dan stel ik mij toch de vraag, want er staat ook: What is religion? Het is eigenlijk islam en dan spreekt hij over vroomheid, intended to save individual souls. De ziel wordt veranderd. Its private, its a spirituality at manifestation of divine reality. Daar heb ik dan toch mijn vragen bij en in zekere zin probeer ik dan mee te denken met Mal Doedi die zegt jamaar, in oorsprong, wat is de geschiedenis geweest van de islam? Mohammed heeft inderdaad opgeroepen tot een sociale ethiek, een religieuze ethiek daar in Mekka, de Koran roept op tot een verantwoordelijkheid, een morele, een ethische verantwoordelijkheid, tot het monotheïsme. Maar deze oproep tot ethische en sociale verantwoordelijkheid gebaseerd op het geloof in de ene God is uiteindelijk het kerygma, het grondgegeven van de islam en dat heeft hij in Mekka gepredikt, hij is dan inderdaad bijna vermoord, is moeten uitwijken en in Medina is hij erin gelukt om een stadstaat op te bouwen waarin zijn idealen verwerkelijkt werden. Maar deze stadstaat werd voortdurend aangevallen door de Mekkanen, door tegenstanders die hem naar het leven stonden, het is een islamitische interpretatie van de gebeurtenissen, hij heeft zich moeten verdedigen en vandaar dat de toelating is gekomen om de strijd aan te gaan. Mohammed is uiteraard niet op het kruis gestorven. Hij heeft de strijd aangegaan en deze strijd is ook jihad. Jihad was de inzet, de morele inzet, maar nadien was dat het legitiem verzet, het legitiem gewapend verzet. Ik hoor de Afgaanse oelema een paar dagen geleden de fatwah uitspreken: wanneer een klein land gaat aangevallen worden door een groot land is een legitiem gewapend verzet toegestaan, is de jihad toegestaan. De interpretatie, ik heb dit boek van Boeti twee keer van binnen en van buiten gelezen, omdat het zo interessant is, omdat hij zich afzet tegen een interpretatie van de Koran, twee verzen waarvan het ene het vers van het zwaard heet. Het vers van het zwaard wordt op twee verschillende manieren geïnterpreteerd zegt hij: strijd tegen hen die niet in God geloven en niet in de laatste dag en die niet verbieden wat God en zijn gezant verboden hebben, die niet de godsdienst van de waarheid aanvaarden uit het midden van hen aan wie dat boek gegeven is, het heilig boek van de Koran, tot zij naar vermogen de schatting betalen als zij zich onderwerpen, belasting betalen, is het OK. Het andere vers is vers 5 uit soera 9. Als de heilige manen verstreken zijn, dood de veelgodendienaars waar jullie hen vinden, grijpt hen, belegert hen en wacht hen op in elke mogelijke hinderlaag. Als ze berouw tonen, het gebed verrichten en de solidariteitspenning betalen, legt hen dan niets in de weg. God is vergevend, barmhartig. Dit zijn natuurlijk verzen die voor interpretatie vatbaar zijn, zegt el Boeti. Hij zegt: er zijn er die daaruit concluderen dat een gewapende expansiedrang in islam toegelaten is, dat dat ook een betekenis is van jihad. Anderen, en ikzelf zijn ervan overtuigd dat deze verzen zo moeten begrepen worden dat Mohammed in verdediging stond tegen de oprukkende Mekkanen en dat deze verzen dan uitgesproken werden als, ja, toelating tot strijd. Modoedi (???) die gestorven is 1979, el Bamma die vermoord is in 1949 en Saïd Kot, de Egyptenaar die opgehangen is in 1966 door Abdel Nasser in Egypte, zijn de drie grote auteurs van de politieke islam en wanneer ik Saïd Kot lees, dan zie ik dat hij ook deze niet-defensieve maar agressieve jihad voorstaat. Ik zou u een aantal teksten kunnnen voorlezen, maar ik toon u al het boek. Dit is ook door Nasser geschreven, Islamic revolution. De jihadic islami waarvan u soms beelden ziet in Pakistan zijn juist mensen die totaal achter deze theorie staan. Persoonlijk heb ik in mijn boek, Islam vreemd, de interpretatie voorgestaan van Bush in deze zin dat ik deze agressieve interpretatie van de Koran als een ontsporing ervaar van de islam als een godsdienstige, ethisch-religieuze, morele beweging. Koran is een oproep tot noodzakelijke morele verantwoordelijkheid in gemeenschap en de inzet daarvoor. De dominantie van de wereld staat daar niet bij, in die zin toch niet. Daarbij moet ik onderlijnen: er is inderdaad verscheidenheid van interpretaties, er zijn moslims die strijden voor persoonlijk moreel leven, voor het ritueel, voor een mystiek, voor morele inzet in de maatschappij, die het vers onderlijnen: geen dwang in de godsdienst, dat staat ook in de Koran, maar er is die bekoring van politieke islam en van offensieve strijd en ik moet zeggen, ik heb mij wel vergist in die zin dat ik nooit had gedacht dat dat zo ver zou kunnen leiden. Dus is er onderscheidingsvermogen nodig en daar wil ik samen met de voorzitter van de executieve voor pleiten. Er is absoluut onderscheidingsvermogen nodig want anders gaan we alle moslims in de hoek steken van de politieke islam en dat is precies wat de politieke moslims willen doen, want ze zeggen: Islam is een politieke islam. Wanneer wij nu reeds zo reageren dat we zeggen: ah, je bent moslim, politieke islam, terrorist, dan doen wij precies wat zij doen, hebben wij dus geen onderscheidingsvermogen. Ik zou er natuurlijk voor pleiten dat binnen het onderscheidingsvermogen ook de veiligheid zijn rol heeft; ik ben een theoloog, dat is mijn job niet, maar ik denk dat dat toch inderdaad ook zijn plaats heeft. Als u mij toelaat, nog één woord: in de politieke islam, dat vraagt eigenlijk een hele uiteenzetting, heb ik uiteindelijk ontdekt dat er, ja het is een theologie waarbij God alles is en de rest niks meer. Dit is zeer opvallend wanneer je de teksten ontleedt: Allah, Allah, Allah, en de rest jamaar, en de schepping en de mens De mens wordt als het ware samen met de hele schepping genegeerd, de consistentie van mens, de mensenrechten bestaan eigenlijk niet want God is alles. Geschiedenis kan niet meer, er is geen geschiedenis meer in die context. En dan zou ik zelfs een stapje verder durven gaan, ziende wat er gebeurt: er is ergens een vernietigingsdrang aanwezig; de mens kan eigenlijk niet bestaan. Het is een zelfvernietigingspsychologie en vernietiging. Dat daar tienduizend mensen opgeblazen worden, wat geeft dat uiteindelijk? Als God maar bestaat. Daar zie je echt de ontsporing, een soort vernietigingsdrang maar daar moet natuurlijk verder over nagedacht worden. |
|
'11 september 2001' zal in het geheugen van de mensheid gegrift blijven als een keerpunt. Nooit werden in het kader van een gecoördineerde terroristische actie zovele burgerslachtoffers gemaakt en werden de symbolen van Amerikaanse economische en militaire macht zo in het hart getroffen. Terwijl de gruwelijke methode om tot dit resultaat te komen en de identiteit van de daders en hun motieven begonnen door te dringen tot de internationale gemeenschap, groeide ook het besef dat de internationale orde nooit meer dezelfde zou zijn na deze dag. We zullen alle beginselen, regels en instrumenten die het volkenrecht ons aanreikt om met problemen van een dergelijke envergure om te gaan, grondig moeten heroverwegen en desnoods herijken. Voor mezelf was dit de aanleiding om het keuzevak "vraagstukken van volkenrecht en internationale instellingen" dat ik tijdens het eerste semester van het academiejaar aan de Leuvense rechtsfaculteit doceer, volledig in het teken te plaatsen van '11 september' en de uitdagingen van het internationale terrorisme. De studenten die het eerste college bijwoonden, zullen alvast vele componenten daarvan ook in de uiteenzetting van professor Fijnaut op de conferentie van 27 september hebben herkend. Zo trachtten we een vergelijking te maken tussen de meer klassieke vormen van terrorisme en wat we op 11 september in de VS hebben gezien. Een aantal documenten die genoemd zijn door collega Fijnaut, zoals het Bremer-rapport ("Countering the Changing Threat of International Terrorism"), bevinden zich - naast talrijke andere officiële documenten, van de EU tot de VN - op een "terrorisme"-pagina die we speciaal voor dit keuzevak op onze website ontwikkelden (zie www.internationaalrecht.be). Wat volgt, is geen algemene beoordeling van de vraag hoe het internationaal recht door '11 september' zal worden beïnvloed. Daarvoor zitten we nog in een veel te vroeg stadium. Wel zien wij doorheen de reacties en de gebeurtenissen daarna allerlei zaken gisten; daarbij wil ik een aantal kanttekeningen plaatsen. De Amerikaanse en Europese reacties vergeleken Laat ik beginnen met een opmerkelijk verschil tussen aan de ene kant de toespraak van president George W. Bush in het Amerikaanse Congres op 20 september 2001, en de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 21 september, d.w.z. één dag later. Bush legt in zijn toespraak sterk de nadruk op het smeden van een internationale alliantie tussen natiestaten. Either you are with us, or you are with the terrorists. Dit is een duidelijke keuze, die alle natiestaten krijgen voorgeschoteld. In zijn toespraak noemt de Amerikaanse president geen andere internationale actoren, met name internationale organisaties zoals de Verenigde Naties. Enkel de NAVO krijgt een korte huldeblijk vanwege de president, wellicht uit dank omdat de Noord-Atlantische Raad een week tevoren, op 12 september 2001, voor de eerste keer in de geschiedenis van het Bondgenootschap artikel V, de "wederzijdse bijstand"-clausule, van het Verdrag van Washington had ingeroepen naar aanleiding van de aanslagen. De benadering van Bush is sterk nationaal: wij - en niet anderen, bv. een internationale organisatie als de VN - smeden een brede internationale coalitie en wij houden daarvan het heft in eigen handen. Men vergelijke dit met de conclusies van de Europese Raad van 21 september. De Europese Raad roept eveneens op tot een zo breed mogelijke globale coalitie, maar deze moet onder de auspiciën van de Verenigde Naties plaatsvinden. In de conclusies van de Europese Raad wordt met geen woord over de NAVO gerept. Zij hebben het wel over de versnelling van het uitbouwen van de Europese ruimte voor veiligheid en rechtvaardigheid en over het stabiliseren van regionale conflicten en het voorkomen daarvan in het kader van het Europese veiligheids- en defensiebeleid. Is het contrast tussen deze twee documenten een teken van een verschillende perceptie van de rol van het internationaal recht en van internationale organisaties? Ik meen van wel. Conform zijn eigen basisakte, het Verdrag betreffende de Europese Unie (ook het Verdrag van Maastricht genoemd), moet de Europese Unie in zijn buitenlands beleid optreden in conformiteit met het Handvest van de Verenigde Naties. Het is derhalve niet meer dan logisch dat de Unie de voorkeur geeft aan een optreden onder VN-vlag. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand met de conclusies van de Europese Raad van Brussel. Na de verklaring over een zo breed mogelijke coalitie in het kader van de VN volgt een totale solidariteitsverklaring aan het adres van de VS. Meer bepaald ziet de EU in Resolutie 1368 van de VN-Veiligheidsraad een legitieme basis voor een "recht om terug te slaan" (riposte) vanwege de Verenigde Staten en verklaren de EU-lidstaten dat zij hieraan, "chacun selon ses moyens", willen bijdragen. Dit is op zijn minst opmerkelijk. Wanneer men de desbetreffende resolutie leest, blijkt er geen woord in te staan over een eventueel recht om terug te slaan. De resolutie veroordeelt in sterke bewoordingen de aanslagen en spreekt het medeleven van de Veiligheidsraad uit aan de slachtoffers, hun familie en het Amerikaanse volk. Daarop volgt een aankondiging dat de Veiligheidsraad klaar is om alle noodzakelijke stappen te zetten om op de terroristische aanslagen te antwoorden en alle vormen van terrorisme te bevechten overeenkomstig zijn verantwoordelijkheden onder het VN-Handvest. Er is een generieke verwijzing naar het recht op individuele en collectieve zelfverdediging van staten, en er wordt gesteld dat "those responsible for aiding, supporting or harbouring the perpetrators, organizers and sponsors of these acts will be held accountable". Maar er is geen spoor te vinden van een ook maar impliciete machtiging van de VS of eender welke groepering van landen om geweld te gebruiken. De resolutie vermeldt trouwens niet "hoofdstuk VII" van het VN-Handvest. Specialisten weten wat dit betekent: dit is de grondslag die de Veiligheidsraad toestaat om dwangmaatregelen, tot en met het gebruik van gewapend geweld, toe te laten. De resolutie verwijst evenmin naar de talrijke andere Veiligheidsraadresoluties die in het verleden reeds werden genomen inzake internationaal terrorisme. De laatste 10 jaar is de Veiligheidsraad steeds vaker internationaal terrorisme een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid gaan noemen en heeft hij reeds dwangmaatregelen onder Hoofdstuk VII van het VN-Handvest genomen tegen o.m. Libië, Soedan en het Taliban-regime, dit laatste als antwoord op de bomaanslagen tegen twee Amerikaanse ambassades in Afrika in 1998. Het is derhalve opmerkelijk te noemen dat de Europese Raad in zijn conclusies aan 'autokwalificatie' doet en de betrokken resolutie van de Veiligheidsraad een legitieme basis acht, niet alleen voor de VS, maar ook voor EU-lidstaten, om gewapenderhand terug te slaan - weliswaar, zo wordt toegevoegd, via "gerichte" acties - tegen terroristen en de landen die hen herbergen. De eerder ongelukkige uitdrukking "recht om terug te slaan" is daarna uit het Europese discours verdwenen. In de conclusies van de informele Europese Raad van Gent van 19 oktober 2001 wordt zij niet meer hernomen. De Europese Raad fundeert aldaar de rechtmatigheid van de militaire operaties in Afghanistan, die inmiddels van start waren gegaan, op het Handvest van de VN en op de voornoemde resolutie 1368. Ook hier is sprake van autokwalificatie en zelfs van een zekere radicalisering: terwijl het luidens de conclusies van 21 september de bedoeling was om de daders van 11 september "voor de rechter te brengen en te bestraffen", heet het in de topconclusies van Gent dat het in Afghanistan het doel blijft El Quaida (waarvan het daderschap bewezen wordt geacht) "uit te schakelen" (éliminer). Maar waar plaatsen we dit alles in het internationaal recht en in de context van het VN-Handvest? De militaire respons: zelfverdediging? Buiten een formele machtiging van de Veiligheidsraad om (die er in casu niet is) is er in het kader van het VN-Handvest maar één uitweg om geweldgebruik tussen staten te rechtvaardigen, en dat is het in artikel 51 van het VN-Handvest bevestigde "inherente recht tot individuele of collectieve zelfverdediging in geval van een gewapende aanval". Het is hierop dat de Amerikaanse en Britse regering zich formeel hebben beroepen in hun uiteenzetting voor de Veiligheidsraad naar aanleiding van de aanvang van de militaire operaties te Afghanistan op 7 oktober 2001. Ofschoon de leden van de Veiligheidsraad "appreciative" bleken voor de verklaringen van beide permanente vertegenwoordigers, heeft de Veiligheidsraad niet formeel het standpunt ingenomen dat het zelfverdedigingsrecht in casu inderdaad van toepassing is. Dat is ook minder evident dan het lijkt. Opdat het zelfverdedigingsrecht van artikel 51 VN-Handvest toepassing zou vinden, is het immers in de eerste plaats de vraag of sprake is geweest van een "armed attack" ("agression armée"). In wezen betekent zulks dat er een daad van agressie moet hebben plaatsgevonden die van een staat uitging of minstens aan een staat kan worden toegerekend. Kunnen de aanslagen van 11 september worden toegeschreven aan Afghanistan of, meer precies, het Taliban-regime in dit land? Dat is niet zo vanzelfsprekend als men ons wil doen geloven. De definitie van "agressie" in resolutie 3314 van de Algemene Vergadering van de VN stelt weliswaar dat een staat schuldig is aan agressie wanneer hij substantieel betrokken is bij de activiteiten van groepen die handelingen verrichten equivalent aan een gewapende aanval, maar het Internationaal Gerechtshof interpreteerde dit in zijn Nicaragua-arrest van 27 juni 1986 zo, dat het leveren van wapens en het verlenen van allerlei steun onvoldoende is om van agressie te gewagen. Zelfs als de aanval kan worden toegerekend aan de Taliban, blijft het militaire optreden van de aangevallen staat onderworpen aan de vrij strikte regels inzake zelfverdediging vervat in artikel 51 van het VN-Handvest. In het licht van de centrale rol van de Veiligheidsraad in het VN-veiligheidssysteem, de tijd verstreken tussen de aanslagen en de militaire reactie (die 26 dagen na de aanslagen van 11 september van start ging) en de bereidheid van de Veiligheidsraad om alle nodige maatregelen te treffen, was een duidelijk mandaat van de Veiligheidsraad stellig verkieslijk geweest. Dit geldt des te meer naarmate de militaire acties langer duren en het moeilijker wordt om staande te houden dat het hier (alleen maar) om zelfverdediging gaat. Hoe dit ook zij, het is opmerkelijk hoe alles bij elkaar zo'n 70 staten inmiddels uitdrukkelijk verklaard hebben de militaire aanvallen op Afghanistan te beschouwen als een legitieme uitoefening van het recht op zelfverdediging. Naast de lidstaten van de NAVO (19 landen), de EU (15 landen, deels NAVO-lidstaten) en de Organisatie van Amerikaanse Staten (35 lidstaten) gaat het onder andere ook om Australië, Rusland en Oekraïne. Dat lijkt erop te wijzen dat het internationaal recht op dit vlak in snel tempo aan het evolueren is. In de eerste plaats vindt duidelijk een versoepeling plaats van de criteria voor het toerekenen van een terroristische aanslag aan een staat: het volstaat kennelijk voortaan dat een staat, of het regime van deze staat, deze aanslagen steunt of minstens toestaat dat de betrokken groepering centraal vanop zijn grondgebied opereert. Daarnaast is er sprake van een flexibelere interpretatie van het recht op zelfverdediging. De hamvraag voor de toekomst zal zijn of het hier een eerder unieke aangelegenheid betreft, die vooral samenhangt met het nooit geziene karakter van de aanslagen van 11 september, dan wel om een blijvende verplaatsing van de bakens. Als het dit laatste zou zijn, moeten we aanmanen tot grote voorzichtigheid. Een oprekken van het recht van zelfverdediging onder artikel 51 VN-Handvest kan grote risico's op misbruik herbergen. Het is zeer wel mogelijk dat andere staten om wellicht minder zuivere redenen eveneens het zelfverdedigingsrecht zullen inroepen voor gewapende acties als reactie - of zelfs in anticipatie - op wat zij beschouwen als terroristische aanslagen. Waar het in alle gevallen op aankomt, is dat de Veiligheidsraad van de VN volledig zijn verantwoordelijkheden kan opnemen, wil actie tegen terrorisme internationaal voldoende gelegitimeerd en geloofwaardig zijn. De EU en NAVO: rivalen? Opmerkelijk aan de conclusies van de Europese Raden van Brussel en Gent is dat beide een uitdrukkelijke militaire solidariteitsverklaring aan het adres van de VS bevatten. Dat is voor de EU een primeur. Wanneer de Europese staatshoofden en regeringsleiders stellen dat de EU-lidstaten willen meedoen aan (gerichte) militaire acties van de VS als antwoord op 11 september, staat dat in wezen niet zover af van de "artikel V"-verklaring die de Noord-Atlantische Raad in het kader van de NAVO heeft gemaakt. Het geeft aan hoezeer de EU thans evolueert van een voornamelijk economische organisatie naar een volwaardige veiligheidsorganisatie met een duidelijke militaire poot. Dit proces is reeds een tijd aan de gang: zoals bekend, kwam de uitbouw van een Europees defensiebeleid in een stroomversnelling terecht sedert de Kosovo-oorlog. Het proces vergt evenwel veel tijd en het zal al bijzonder fraai zijn als de Europese Raad van Laken in december 2001 in staat is om het Europese defensiebeleid op louter institutioneel vlak (d.w.z. in de zin van het beschikken over functionerende organen en besluitvormingsprocedures) "operationeel" te verklaren; van een daadwerkelijke operationele capaciteit (in de zin van het praktisch beschikken over concreet inzetbare troepen en middelen) is vooralsnog geen sprake. Met zijn militaire solidariteitsverklaring heeft de Europese Raad met andere woorden een ruim voorschot genomen op het Europese defensiebeleid. Inmiddels doet zich in de bilaterale contacten tussen de grotere EU-lidstaten en de VS een merkwaardig verschijnsel voor, dat iets wegheeft van een opbod: de grotere landen lijken er als de kippen bij om deel te nemen aan de door de VS geleide militaire campagne in Afghanistan. Die gretigheid staat in schril contrast tot de moeizame opbouw van de Europese snelle interventiemacht. Een laatste kanttekening: met haar Europese defensiebeleid komt de EU steeds meer in een positie van institutionele rivaliteit met de NAVO terecht. Hoe men het ook draait of keert, tussen de EU en NAVO gaan in de komende jaren nog een aantal ernstige afspraken moeten worden gemaakt over het gebruik van en de toegang tot militaire middelen en technologie. De stem in dit proces van "Uncle Sam" zal hierbij zwaar doorwegen, maar tevens moet de blokkeringsmogelijkheid van een land als Turkije in acht worden genomen. Van strafrecht naar oorlogsrecht? Naast deze korte bemerkingen in verband met de VN, de EU en de NAVO wil ik nog een aantal kanttekeningen wijden aan de benadering van het verschijnsel terrorisme in het internationaal recht. Tot dusver zijn de internationale verdragen tegen het terrorisme, zowel op het niveau van de VN als van de Raad van Europa, voornamelijk uitgegaan van een strafrechtelijke benadering. Deze methode houdt verband met de "klassieke" verschijningsvormen van terrorisme, waarbij individuen of groepen met het oog op het behalen van politieke doelstellingen gewelddadige acties plegen (kapingen, bomaanslagen, ) op een alles bij elkaar beperkte schaal en met een beperkt aantal burgerslachtoffers, zulks teneinde de legitimiteit van hun politieke motieven niet te ondergraven en de publieke opinie niet te zeer van hen te doen vervreemden. Maar wat men op 11 september heeft gezien, is van een geheel andere soort: wanneer in het kader van één terroristische actie meer dan 5.000 mensen worden gedood, rijst de vraag of het strafrecht nog volstaat als instrument om hiertegen op te treden. Gelijkt dit niet eerder op een oorlogssituatie, d.w.z. een situatie die veeleer ressorteert onder het internationaal humanitair recht (het recht der gewapende conflicten of oorlogsrecht) dan onder het klassieke strafrecht? Niet voor niets spraken de Amerikaanse president en kort daarna zowat alle Amerikaanse (en heel wat niet-Amerikaanse) beleidsvoerders van acts of war. De waarheid is dat het klassieke internationaal humanitair recht evenmin op de leest van dit soort uitdagingen is geschreven. Deze rechtstak is traditioneel gericht op de regeling van gewapende conflicten tussen staten (recenter ook ten dele op de regeling van conflicten binnen één staat) en niet, zoals op 11 september is gebeurd, tussen een terroristische groepering en een staat. Opnieuw rijst het probleem van de toerekenbaarheid van terroristische daden aan een bepaalde staat; hoger hebben we gezien dat op dit punt thans sprake is van een belangrijke versoepeling. De vraag is vervolgens of er tussen de VS en Afghanistan sprake is van een gewapend conflict en of beide partijen hierbij het internationaal humanitair recht moeten respecteren. Vanaf 7 oktober 2001, het begin van de militaire campagne tegen Afghanistan, lijdt het alleszins geen twijfel meer dat een internationaal gewapend conflict plaatsvindt en dat alle hierbij betrokken partijen de humanitairrechtelijke normen (o.m. het fundamentele beginsel van het vermijden van buitensporig leed en van het sparen van burgers) moeten respecteren - wat zij blijkbaar niet steevast doen. Of zij zich nu in vredes- of oorlogstijd afspelen, de vraag rijst of terroristische aanslagen met de intensiteit van deze van 11 september 2001 niet zonder meer als internationaalrechtelijke misdrijven moeten worden gekwalificeerd. Als zij zouden worden gesitueerd in het kader van een internationaal gewapend conflict, gaat het zonder meer om oorlogsmisdaden. Een aantal beleidsvoerders (o.a. de Belgische premier Verhofstadt, de Spaanse premier Aznar en VN-Hoge Commissaris voor de Mensenrechten Mary Robinson) hebben de aanslagen "misdaden tegen de mensheid" genoemd. Men kan hier inderdaad gewagen van daden van moord en uitroeiing "gepleegd als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen een burgerbevolking, met kennis van de aanval", om de definitie van het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof over te nemen. Niet alle terroristische acties zullen evenwel een dergelijke schaal of stelselmatigheid vertonen. Vandaar dat ik meen dat men moet overgaan tot de erkenning van terrorisme als zelfstandig volkenrechtelijk misdrijf, dat onder het internationaal recht zelf strafbaar is en als zodanig voor een bevoegd internationaal rechtscollege, bij voorkeur het Internationaal Strafgerechtshof, moet kunnen worden vervolgd en bestraft. Zolang dit niet het geval is - zelfs wanneer het Internationaal Strafgerechtshof concreet wordt opgericht, behoort de bestraffing van terrorisme als zodanig niet tot zijn bevoegdheden - zal men node de vervolging en bestraffing van dit soort terreurdaden op nationaal niveau moeten blijven aanpakken. Het lijkt me duidelijk dat aanslagen met de omvang en intensiteit als deze van 11 september zodanig de gehele internationale gemeenschap met afschuw vervullen en deze gemeenschap in haar geheel aangaan, dat het voor een staat mogelijk moet zijn verdachten te vervolgen en te bestraffen op basis van het beginsel van universele rechtsmacht. Overigens, wanneer men de betrokken feiten kwalificeert als oorlogsmisdaad of als misdaad tegen de mensheid, beschikt de Belgische rechter reeds over universele jurisdictie op grond van de roemruchte "Genocidewet" (Wet van 16 juni 1993 betreffende de bestraffing van ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht). Waarom geen humanitaire interventie? Eén afsluitende bedenking betreft de militaire operaties tegen Afghanistan, die de VS - daarin gesteund door het Verenigd Koninkrijk - sedert 7 oktober 2001 begonnen zijn. Men kan moeilijk aan de indruk ontsnappen dat de uiteindelijke doelstelling niet alleen de eliminatie van het El Quaida-netwerk is, maar tevens de val van het Taliban-regime en de vervanging van dit laatste door een zo representatief mogelijke regering die bij voorkeur minder extremistische kentrekken heeft dan de Taliban. Dit alles wordt ons als gerechtvaardigd voorgeschoteld onder het recht van zelfverdediging. Maar gaat het hier niet veeleer om een tragisch geval van een failed state, een land dat - als twistappel tussen de grootmachten - sedert 22 jaar een gruwelijke burgeroorlog kent waar tienduizenden burgers het slachtoffer van zijn geworden en waar de economie (met als uitzondering de drugsproductie), de sociale, medische en alle andere voorzieningen volkomen zijn ingestort? Hongersnood dreigt voor miljoenen Afghanen en er zijn miljoenen vluchtelingen (men denke aan de lotgevallen van het schip de Tampa in de zomer van 2001, dat grotendeels uit Afghaanse vluchtelingen bestond). De spill-over-effecten van al dit onheil voor de internationale gemeenschap zijn dermate groot, dat, zelfs los van wat er op 11 september is gebeurd, de vraag rijst of de internationale gemeenschap niet verplicht is een humanitaire interventie te ondernemen onder de auspiciën van de Verenigde Naties (wat o.a. in Somalië, Ruanda en Haïti is gebeurd) en een soort internationaal bestuur te vestigen over Afghanistan, naar analogie met wat - zij het ook niet via een onbevlekt parcours - gebeurd is met Bosnië-Herzegovina, Kosovo en Oost-Timor. Uiteraard is Afghanistan veel groter en wordt men geconfronteerd met gigantische problemen bij de praktische vormgeving en uitvoering van dergelijke plannen. De reeds gevestigde internationale besturen vormen geenszins miraculeuze oplossingen die zich zonder meer op Afghanistan laten overplanten. Maar in een door de Verenigde Naties toegestane multilaterale humanitaire interventie, die naam waardig, lijkt mij, alles bij elkaar, meer heil te schuilen dan in een uni- of bilaterale militaire campagne in een uiterst woelige regio van de wereld. |
|
Ik zou het meer bepaald over twee zaken willen hebben. Op de eerste plaats zou ik wat uitleg willen geven bij de manier waarop er aan nieuwsgaring is gedaan de voorbije weken en dan vooral het accent leggen op de vrees die er heerst bij de Amerikaanse maar ook bij de Europese media, vrees voor bewuste manipulatie van informatie die wordt vrijgegeven als onderdeel van de militaire acties, die hopelijk op kleine schaal -maar dat is een persoonlijke appreciatie- zullen plaatsvinden. Dat is een eerste punt en dan op de tweede plaats en daarvan afgeleid zou ik toch ook willen waarschuwen voor de complottheorieën die de ronde doen, zelfs in academische milieus. Ik ben een paar dagen afwezig geweest van mijn bureau en ik was verstomd toen ik de hoeveelheid e-mails zag die op me waren afgekomen in die periode, grotendeels afkomstig uit academische milieus waarin mij soms klinklare nonsens werd verteld maar waarin ook mensen gewoon uiting gaven aan de verwarring waaraan ze waren onderworpen door e-mails die ze soms van collegas en vrienden hadden toegestuurd gekregen, e-mails die in heel veel gevallen echt berustten op het klassieke type van complot- of samenzweringstheorieën en het ene staat natuurlijk in verband met het andere. Als we er niet in slagen een evenwichtig informatiebeleid af te dwingen, voor zover de pers dat kan natuurlijk in de gegeven omstandigheden, voornamelijk dan vanwege de Amerikaanse authoriteiten, dan staat de poort wel extra breed open voor dit soort van complottheorieën. Wat het eerste punt betreft, dat is een terugkeer van een eeuwenoud dilemma in dit soort van grote crisissituaties, het dilemma van de geheimhouding versus de openheid van informatie. Het nieuwe type van oorlog dat ons is aangekondigd door de regering Bush de voorbije weken, oorlog tegen het grensoverschrijdende transnationale terrorisme, heeft de spanningen die altijd al wat aanwezig zijn tussen regering en pers rond geheimhouding en recht op informatie duidelijk nieuw leven ingeblazen. President Bush zelf heeft die discussie meteen aangewakkerd twee dagen na de aanslag van 11 september toen hij de grondregels heeft vastgelegd voor de informatieverstrekking vanwege zijn eigen administratie en ik lees u gewoon de letterlijke Engelse tekst voor: Let me condition the press this way: any sources and methods of intelligence will remain guarded in secret. My administration will not talk about how we gather intelligence, if we gather intelligence and what the intelligence says. Thats for the protection of the American people. It is important, as we battle the enemy to conduct ourselves this way. Dat is een heel duidelijke verklaring, een verklaring die geen grijze zones overlaat en dat is ook duidelijk geworden in uitleg die achteraf is verstrekt door woordvoerders allerhande. Men heeft er nogal wat in Amerikaanse regeringskringen.Hoge ambtenaren hebben heel duidelijk gemaakt aan de journalisten dat zij geen informatie zullen verstrekken over troepenbewegingen omwille van de snelheid waarmee dat nieuws de wereld rondgaat, omdat daardoor cruciale details over Amerikaanse reacties in verkeerde handen zouden kunnen vallen. Let wel, ik heb natuurlijk wel enig begrip voor het behoud van een zekere mate van geheimhouding, we moeten de vrijheid van informatie niet zo ver drijven dat we doelbewust levens van Amerikaanse agenten of Amerikaanse soldaten in gevaar zouden brengen; er is natuurlijk wel een duidelijk angeltje aan deze toestand en wat heel duidelijk leeft op dit ogenblik in persmilieus, ook hier bij ons te lande, is de angst dat men in de Verenigde Staten nog een stapje verder zal gaan en dat men de stap zou zetten van het afknellen van de vrije informatiegaring en van het verstrekken van nieuws naar het doelbewust inplanten van verkeerde informaties in de pers in de hoop dat men op die manier de eventuele terroristen of wie dan ook op het verkeerde been zet. Dat is natuurlijk een zeer gevaarlijke situatie, het zou niet de eerste keer zijn dat dit gebeurt. Ik heb hier te elfder ure, nog voor ik vertrok van een collega een artikel van de Washington Post toegestoken gekregen, een paar dagen geleden gepubliceerd waarin men het precies heeft over precedenten van het toespelen aan welbepaalde journalisten van totaal verkeerde informatie in de hoop dat men op die manier de vijand in de luren kan leggen. Er zijn bijvoorbeeld duidelijke voorbeelden uit 1988 toen men doelbewust totaal verkeerde informatie aan de kwaliteitskranten, dat zijn dan meestal de enige die in dat soort van informatie geïnteresseerd zijn, heeft doorgestuurd over de verplaatsingen die een aantal vliegdekschepen in de Perzische Golf maakten. Het probleem is dat niet alleen op die manier het publiek wordt misleid door de pers. Het probleem is ook dat op die manier journalisten zelf, vooral mensen ter plekke in aardig moeilijke situaties dreigen te komen. Wat ons ook zorgen baart, dat is dat we duidelijk naar een herhaling gaan van de toestand ten tijde van de Panama-oorlog en ten tijde van de Golfoorlog waarbij ook bij eventuele vijandelijkheden de vrije nieuwsgaring wordt afgekneld, dat men mediapools gaat vormen. Dat komt erop neer, u kent het systeem wellicht, dat men een beperkte groep journalisten feitelijk bij de hand houdt, hen overal leidt en het is alleen via die beperkte groep journalisten dat het nieuws mag doorstromen. Dat leidt tot een zeer grote verschraling van de nieuwsgaring en daar zit toch duidelijk een gevaar in; dat is voor ons een stap te ver op de weg naar geheimhouding. Wat ons ook zorgen baart, en niet alleen als journalist, maar ook als betrokken burger, is het feit dat de Verenigde Staten zolang weigeren duidelijke informatie te geven over de schuld. Er is natuurlijk heel veel dat wijst in de richting van het netwerk rond bin Laden, maar het is toch wel een klein beetje beknellend stilaan en gevaarlijk te noemen dat men met zo weinig, in feite met helemaal geen gegevens naar buiten komt. Net voor ik vertrok, liep er een telex binnen dat intussen de Secretaris-Generaal van de Navo wél harde bewijzen zou te zien gekregen hebben maar dan moeten we ook die man op zijn woord geloven en ik wil wel graag maar ik zou toch wel graag hebben dat de Amerikaanse regering om het met de woorden van de Witte-Huiscorrespondent Laurence McWillan (??) te zeggen: I dont want to go telling Pentagon secrets to my public and I dont want to reveal the next attack but I do think that a basic openness is essential at a time like this. Thats what makes us the good guys. Dus er moet toch een breder kader mogelijk zijn, er moet toch wel een minimum aan informatie doorgegeven worden, wil men onze publieke opinie en de Amerikaanse publieke opinie, die zitten nog wel in een andere situatie natuurlijk, maar wil men zeker de Europese publieke opinie bereid krijgen om de volle consequenties van die solidariteitsmechanismen die op gang zijn gebracht te aanvaarden. Goed, dat is de situatie waarin we zitten en dan het tweede luikje afsluitend, één van de gevolgen van het feit dat er toch wat te weinig informatie wordt doorgegeven, zijn die soms waanzinnige samenzweringstheorieën die de ronde doen. Het is gewoon een feit dat pure kwakkels, geruchten of vrij gesofisticeerde complottheorieën in de huidige context een razendsnelle omlooptijd kennen en ik moet u geen tekening maken waardoor dat komt. De e-mail heeft daar aanzienlijk toe bijgedragen. Op een website haalde men het feit aan dat, de moeder van alle complottheorieën: de moord op president Kennedy, het in die tijd toch een maand of twee geduurd heeft voor het eerste boek op de markt kwam in de Verenigde Staten waarbij de allereerste complottheorie uit de doeken werd gedaan, nl. de theorie die inging tegen de one hand shot van het feit dat er maar één dader zou geweest zijn. Dezelfde website meldde dat zij binnen de vijf minuten na het bekend geraken van de dood van prinses Diana een paar jaar geleden al de eerste uitgebreide mail binnenkreeg met een complottheorie die stelde dat het de Britse geheime dienst zelf was die de zaak had geklaard. Dit geeft een duidelijk verschil over die snelheid waarmee dit soort van zaken de ronde doen en éénvan de duidelijkste voorbeelden daarvan hebt u misschien ook in uw mail aangetroffen, dat was dat verhaal dat de beelden die CNN en in feite de meeste zenders, ook Europese, hebben uitgestuurd de elfde september, van die juichende Palestijnen, dat die tien jaar oud zouden zijn geweest en dat die in feite waren opgehaald uit de archieven uit de periode waarin Irak Koeweit was binnengevallen. Ik heb zonder overdrijven een stuk of negentig van dat soort e-mails gevonden, in alle mogelijke versies, wat op zichzelf natuurlijk al een veeg teken was. Politiek-ideologisch kan je ze in twee groepen onderverdelen. De eerste categorie is nog welwillend en gaat ervan uit dat het uitsturen van die beelden, wat als een waarheid wordt beschouwd een voorbeeld is van de gemakzucht en de luiheid waarmee onze westerse media tewerkgaan. Maar verreweg het grootste gedeelte van de mails gaat ervan uit dat het om een doelbewuste anti-Palestijnse manipulatie is gegaan. Het gerucht doet werkelijk in allerlei vormen de ronde, soms vind je namen van personen die hooggeplaatste functies worden toegeschreven, onder andere binnen de BBC. Bij navraag blijkt dat die functie niet bestaat en dat ook het heerschap dat duidelijk als autoriteit wordt vermeld om de theorie extra sterkte te geven ook helemaal niet bestaat. Kort samengevat, het is duidelijk dat het om een flater gaat want intussen heeft de CNN die nogal in zijn wiek geschoten was omdat ze zo zwaar op de korrel werden genomen op andere niveaus wil ik gerust ook CNN op de korrel nemen, maar wat dit concrete geval betreft duidelijk niet- ze hebben dus zelf de oorsprong van het bericht kunnen retraceren en ze hebben kunnen nagaan dat die oorsprong lag op de campus van een Braziliaanse universiteit waar een journalist die intussen met naam en toenaam bekend is, en met telefoonnummer, op een discussiemailinglist het gerucht had geplaatst, dat hij zelf had opgevangen van een andere student dat er op een andere, niet met name genoemde Braziliaanse universiteit de authentieke beelden zouden geanalyseerd worden van tien jaar geleden. Dat verhaal is dus via die mailinglist razendsnel beginnen ronddraaien, er is vanalles aan toegevoegd. Toen die student zich bewust werd van de omvang die het hele verhaal begon aan te nemen, heeft zich bij zijn rector gemeld en die rector heeft dan stappen genomen om één en ander recht te zetten. De beelden zijn intussen duidelijk niet tien jaar oud. Ik heb zelf contact genomen met Reuters om heel zeker te zijn van deze zaak, de beelden van die vreugdetaferelen zijn wel degelijk de elfde september zelf opgenomen. Ten andere, een collega van het NRC Handelsblad waar wij nauw mee samenwerken, die in Beiroet gestationeerd is en ook de Palestijnse gebieden doet, kent die buurt zeer goed en heeft kunnen merken aan de beelden, meteen overigens, dat dat de straat was in haar huidige toestand en niet tien jaar geleden want intussen is er daar nogal wat bebouwd en rijden er ook allerlei andere types van autos rond. Dit is maar één voorbeeld van de complottheorieën die de ronde doen. Dit is nu nog makkelijk te ontkrachten geweest maar er zijn veel kwalijker zaken die de ronde doen, die vaak veel moeilijker te ontkrachten zijn. En er doen ook allerlei zware anti-semitische verhalen de ronde zoals het verhaal dat toevallig alle joodse mensen die in de WTC-towers werkten, die dag vakantie zouden genomen hebben, dat er dus geen enkele jood zou getroffen zijn en dat met andere woorden het niet één of ander terreurnetwerk maar de mossad zelf zou zijn die acher de hele toestand zit. Ik rond hier maar af, het zijn twee losse gedeelten misschien maar toch hoop ik wat stof voor reflectie te hebben gegeven. |
