De impact van het auteursrecht op de archiefsector wordt meer in detail besproken in het David-rapport over auteursrecht. Hierna volgt een korte inleiding in de problematiek.
Conventie van Bern voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken (26 juni 1948).
Auteurswet: De wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en
de naburige rechten (B.S. 27 juli 1994
).
Softwarewet: De wet van 30 juni 1994 betreffende de bescherming van
computerprogramma's (B.S. 27 juli 1994
).
Repro-KB: koninklijk besluit van 30 oktober 1997 betreffende de vergoeding
verschuldigd voor het kopiëren voor privé-gebruik of didactisch gebruik
van werken die op grafische of soortgelijke wijze zijn vastgelegd
(B.S. 7 november 1997
).
Auteursrichtlijn: Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie
van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten
in de informatiemaatschappij (P.B. L 167 van 22/06/2001)
.
Het auteursrecht beschermt originele werken die in een bepaalde vorm gegoten zijn.
Een origineel werk is het resultaat van de intellectuele activiteit of inspanning van de maker ervan. De inspanning moet niet erg groot zijn, ze moet enkel aantoonbaar zijn. Daarenboven komt de persoonlijkheid van de maker tot uiting in het werk. Met andere woorden, uit de waaier van mogelijkheden heeft de maker gekozen voor een vorm of uidrukking volgens zijn persoonlijke voorkeur en inzicht.
Origineel wil niet noodzakelijk zeggen 'nieuw', verschillende mensen kunnen onafhankelijk van elkaar tot gelijkaardige resultaten komen. Wanneer veel mensen spontaan hetzelfde idee op dezelfde manier uitdrukken, spreekt men van een 'banaal' werk dat geen auteursrechtelijke bescherming geniet.
Ideeën worden niet beschermd door het auteursrecht. Ideeën kunnen niet rechtstreeks aan anderen doorgegeven worden, ze moeten uitgedrukt of in een vorm worden gegoten. Enkel deze uitdrukking of vorm kan worden beschermd.
De kunstenaar Christo werd wereldberoemd door het inpakken van grote bouwwerken, zoals de Pont-Neuf in Parijs of de Reichstag te Berlijn. Het idee op zich om bouwwerken in te pakken wordt niet beschermd door het auteursrecht, iedereen mag dit dus gewoon nadoen.
Een vorm betekent niet dat enkel tastbare voorwerpen beschermd worden. Redevoeringen, radio-uitzendingen en websites worden ook beschermd.
Voor sommige types werken gelden bijzondere regels, dit is onder meer het geval voor afgeleidde en collaboratieve werken, audiovisuele werken, databanken en computerprogramma's. Deze bijzondere regimes worden behandeld in het David-rapport over auteursrecht.
De auteur van een werk is de persoon die het werk creëerde. Vaak zullen de auteursrechten toch bij iemand anders berusten, de auteur kan zijn rechten contractueel afstaan en bij zijn dood gaan de rechten over op zijn erfgenamen. Het begrip 'auteur' wordt in de wet zowel gebruikt om de oorspronkelijke maker van een werk aan te duiden, als alle personen die dit recht van de oorspronkelijke auteur verkrijgen. Het begrip auteur zal hier ook in deze beide betekenissen gebruikt worden.
Voor een buitenstaander is het erg moeilijk te weten wie nu juist de titularis is van het auteursrecht. De wet bepaalt dat men ervan uit mag gaan dat degene wiens naam of 'letterwoord' op het werk vermeld staan ook effectief de houder van het auteursrecht is. Gaat het om een anoniem werk, dan wordt de 'uitgever' geacht de auteursrechten uit te oefenen. Het begrip uitgever omvat iedere persoon die auteursrechtelijk beschermde werken laat vervaardigen en commercialiseert.
Naast de auteur spelen nog andere tussenpersonen een rol spelen bij de exploitatie van een werk. Sommige van deze tussenpersonen genieten een aan het auteursrecht naburig recht. Meer bepaald gaat het om de uitvoerende kunstenaar, de producent van fonogrammen en films, de omroeporganisaties en de producent van een databank. Het beschermingsregime leunt nauw aan bij die van het auteursrecht en wordt besproken in het David-rapport over Auteursrecht.
De auteur krijgt twee soorten rechten op zijn werk: economische rechten en morele rechten. De economische rechten geven de auteur het monopolie op de exploitatie van zijn werk. De morele rechten beschermen de `intieme band' tussen de auteur en zijn creatie.
De auteur heeft het exclusieve recht om zijn werk te reproduceren, te distribueren, te verhuren en uit te lenen. Daarnaast heeft de auteur het alleenrecht om afgeleide werken te produceren, (bijvoorbeeld vertalingen, bewerkingen voor een ander medium, merchandising, enz.). Ten slotte moet de auteur voor elke mededeling aan het publiek zijn toestemming verlenen (bijvoorbeeld uitzending op radio of televisie, opvoering van een toneelstuk).
In de traditionele analoge context omvat het monopolie op reproductie en medeling aan het publiek hoofdzakelijk exploitatiehandelingen. Alleen de auteur mag bijvoorbeeld zijn boek laten drukken en verspreiden voor de verkoop. De eindgebruiker heeft het recht zijn exemplaar te lezen, verder te verkopen en aan vrienden uit te lenen. De archivaris had als eindgebruiker eveneens het recht een exemplaar van een werk te archiveren en dit in de leeszaal ter beschikking te stellen.
Bij elektronische werken liggen de zaken anders. De eindgebruiker kan onmogelijk een elektronisch werk gebruiken zonder er verschillende kopies van te maken, zij het beperkt tot vluchtige kopies in het werkgeheugen van de computer. In theorie moet de auteur hiervoor zijn toestemming verlenen. Hierdoor verkrijgt de auteur macht over hoe de eindgebruiker met zijn werk kan en mag omgaan.
Elektronische werken ter beschikking stellen via een netwerk staat in vele gevallen gelijk met een mededeling aan het publiek. Hiervoor is de toestemming van de auteur dus vereist.
De archivering van elektronische werken komt op verschillende manieren in het vaarwater van het auteursrecht. De archivaris moet het werk kopiëren om het in zijn archief op te nemen. Eventueel moet het werk aangepast worden zodat het voor de toekomst toegankelijk blijft. Ten slotte is het ook de bedoeling het werk aan het publiek ter beschikking te stellen.
De auteur heeft een divulgatierecht: alleen hijzelf beslist wanneer het werk klaar is om aan het publiek bekendgemaakt te worden. Het vaderschapsrecht houdt in dat de auteur beslist onder welke naam het werk uitgebracht wordt. De auteur kan zich verzetten tegen elke wijziging van zijn creatie op grond van zijn recht op integriteit.
De morele rechten zijn persoonlijkheidsrechten, dit wil zeggen dat deze rechten verbonden zijn aan een bepaalde persoon en niet overdraagbaar zijn. De reden hiervoor is dat de persoonlijkheid van de auteur geacht wordt tot uiting te komen in zijn werk.
Het auteursrecht blijft tot 70 jaar na de dood van de auteur gelden. Na zijn dood gaan de rechten van de auteur over op zijn erfgenamen, tenzij hij iemand anders heeft aangewezen.
Wanneer een werk door meerdere personen samen is gemaakt, blijft het auteursrecht bestaan tot 70 jaar na de dood van de langstlevende.
Voor anonieme of pseudonieme werken begint de termijn van 70 jaar te lopen vanaf het tijdstip waarop het werk op geoorloofde wijze voor het publiek toegankelijk gemaakt is. Indien het pseudoniem geen enkele twijfel laat over de identiteit van de auteur, geldt de algemene regel.
Alle termijnen worden berekend vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het feit dat de rechten doet ontstaan.
Het auteursrecht verleent de auteur een monopolie op de exploitatie van zijn werk. Dit betekent niet dat de archivering van beschermde werken absoluut verboden is, alleen dat dit aan bepaalde voorwaarden onderworpen is. De archivaris heeft drie opties:
Elektronische documenten die commercieel verspreid worden zijn vaak al voorzien van een standaardlicentie. De auteur of de uitgever kiest dan eenzijdig de licentievoorwaarden. De archivaris kan dan in de licentie nagaan of de auteur toestemming verleent om het werk te archiveren. Indien dit niet het geval is, kan de archivaris proberen alsnog een aparte licentie te verkrijgen. In het David-rapport auteursrecht wordt een model archieflicentie voorgesteld die kan dienen als basis voor onderhandelingen met de titularis van het auteursrecht.
De archiefinstelling kan overwegen de Koninklijke Bibliotheek te betrekken in de onderhandelingen over een licentie. Van elke publicatie moet immers één exemplaar in depot gegeven worden. Deze verplichting kan de rechthebbende bijkomend motiveren om een licentie te verlenen, vooral indien de plicht tot deponering dan als vervuld wordt beschouwd.
Sommige elektronische werken worden verdeeld met een licentie die
de gebruiker ruime rechten toekent, dit is meer bepaald het geval
met verschillende 'Open Source' licenties
(
). Dergelijk werken kunnen
in de regel zonder probleem gearchiveerd en aan het publiek ter beschikking
worden gesteld via het internet.
Reeds bij de invoering van het auteursrecht in 1886 was de wetgever zich ervan bewust dat bepaalde belangen voorrang moesten krijgen op de exclusieve rechten van de auteur. Daarom verleende de wet zelf toestemming om in bepaalde omstandigheden een werk te reproduceren of aan het publiek mede te delen. Deze uitzonderingen worden ook wel dwanglicenties of wettelijk licenties genoemd. Vaak krijgt de titularis van het auteursrecht ter compensatie een vergoeding.
Het Belgisch recht kent slechts voor een fractie van het archiefpatrimonium een expliciete wettelijke licentie, met name voor het cinematografische patrimonium dat bewaard wordt door het Koninklijk Belgisch Filmarchief. Voor zover de voorwaarden vervuld zijn, kunnen archieven zich beroepen op de andere uitzonderingen uit de auteurswet, met name de uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek en openbare uitlening. Naargelang de concrete omstandigheden, kan het archief inroepen dat een auteur zich bezondigt aan rechtsmisbruik wanneer hij de archivering van zijn werk verhindert.
Onder impuls van de Europese Unie moeten de lidstaten hun huiding regime van wettelijke licenties harmoniseren. De Europese richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappijrichtlijn laat de lidstaten onder strenge voorwaarden toe voor publieke instellingen, waaronder archieven, een uitzondering te maken op het reproductierecht en het recht op mededeling. Deze richtlijn moest vóór 22 december 2002 omgezet zijn in het Belgisch recht. Op het moment van schrijven (31 december 2003) is dit nog steeds niet gebeurd. Hopelijk grijpt de wetgever deze kans aan om een de wettelijke licentie uit te breiden voor de hele openbare archiefsector.
In sommige gevallen behoort een licentie niet tot de mogelijkheden, bijvoorbeeld omdat de titularis van het recht niet geïdentificeerd kan worden, omdat de titularis onvindbaar is of omdat het werk zelf een schending van andermans auteursrecht inhoudt. Een wettelijke licentie is niet altijd voorhanden of de toepasbaarheid is soms betwist. Moet het archief dan automatisch beslissen een document niet in de collectie op te nemen?
Om deze vraag te beantwoorden moet men een belangenafweging maken tussen enerzijds het de belangen van de auteur en de belangen van het archief. De auteur heeft er belang bij om zijn werk ongestoord te kunnen exploiteren. Het archief bewaart documenten in het algemeen belang, onder meer om historisch en wetenschappelijk onderzoek mogelijk te maken.
De loutere opname van een werk in de archiefcollectie zal de exploitatierechten van de auteur in de regel niet schaden. De terbeschikkingstelling ervan aan archiefmedewerkers en/of gebruikers ligt gevoeliger.
Het beleid van het Internet Archive vormt een uitstekend voorbeeld van deze pragmatische aanpak. Het Internet Archive verzamelt websites die vrij beschikbaar zijn op het internet tenzij de eigenaar aangeeft dat hij dit niet wenst. De maker van een site op voorhand aangeven dat de site niet gearchiveerd mag worden[1] of vragen dat zijn site uit het archief verwijderd wordt. Het archief is toegankelijk via het internet, maar de bezoeker moet zich aan de gebruiksvoorwaarden houden: het archief mag uitsluitend voor eigen studie en wetenschappelijke doeleinden gebruikt worden, bovendien moet de gebruiker alle toepasselijke wetten naleven.[2] Strikt genomen gaat hiet om illegale kopies en illegale mededeling aan het publiek. Omdat met ieders belangen rekening wordt gehouden, zijn er nog geen grote conflicten onstaan rond de praktijk van het Internet Archive.
De regeling met betrekking tot het auteursrecht houdt weinig rekening met de specifieke taken en noden van de archiefsector. Alle twijfels kunnen uit de weg geruimd worden aan de hand van een licentie, voor zover de titularis van het auteursrecht identificeerbaar is en bereid een licentie af te sluiten. Voor zover een licentie niet tot de mogelijkheden behoort, kan het archief zich waarschijnlijk beroepen op de uitzondering voor wetenschappelijk onderzoek om een beschermd werk in de collectie op te nemen.
Het lijkt onwaarschijnlijk dat een een archief zich ooit voor een rechtbank zal moeten verantwoorden louter omdat het een werk opneemt in het archief. Het belang van de houder van een auteursrecht om een archief voor de rechter te slepen is vrij beperkt. Welke schade lijdt hij wanneer zijn werk geconserveerd wordt voor de toekomst? In welk opzicht verstoort de archivering de normale exploitatie van een werk?
Het enig teer punt vormt de terbeschikkingstelling aan het publiek, aangezien dit eventueel wel de exploitatie van het werk in het gedrang kan brengen. De manier waarop de terbeschikkingstelling gebeurt is hierbij van groot belang. Consultatie ter plaatse lijkt in elk geval tot de mogelijkheden te behoren, aangezien openbare uitlening expliciet buiten het monopolie van het auteursrecht valt. Terbeschikkingstelling via het internet daarentegen ligt gevoeliger. In bepaalde gevallen kan het archief kiezen voor een pragmatische oplossing die de belangen van de auteur met die van het publiek verzoent.
MIREILLE BUYDENS, Auteursrechten en internet, Problemen en oplossingen voor het creëren van een online databank met beelden en/of tekst, Brussel, DWTC, 1998, 104 p.
HANNELORE DEKEYSER, Digitale Archivering: een juridische stand van zaken vanuit Belgisch perspectief, Deel 2: Auteursrecht, technische beschermingsmaatregelen en wettelijk depot, Antwerpen-Leuven, 2003
SÉVERINE DUSOLLIER, 'Droit d'auteur et bibliothèques dans l'univers numérique', Revue Ubiquité 2002, afl. 12, 79-89.
JEAN-PAUL TRIAILLE en ALAIN STROWEL, Le droit
d'auteur du logiciel au multimédia, Brussel, Bruylant, 1997, 510
p.