U bent hier: Faculteit Rechtsgeleerdheid Onderzoek DOCT het (oud) doctoraatsreglement

het (oud) doctoraatsreglement

OPGELET: niet meer van toepassing op doctorandi in dienst vanaf 1 september 2008 (cfr. reglementen)


Doctoraatsreglement Rechten en Criminologische Wetenschappen

Lees eerst aandachtig Richtlijnen voor het opstellen van een doctoraatsvoorstel

 

Artikel 1. ' 1. Om tot het doctoraat in de rechten c.q. criminologische wetenschappen te worden toegelaten, moet de kandidaat houder zijn van een van de volgende diploma's:     

1. het academisch diploma van licentiaat in de rechten c.q. criminologische wetenschappen;

2. een ander diploma van een academische opleiding van de tweede cyclus, aanvaard door de Faculteitsraad op voorwaarde dat de kandidaat doet blijken van de effectieve en voldoende aanwezigheid in zijn curriculum, met inbegrip van zijn beroepsloopbaan, van het juridisch c.q. criminologisch domein dat hij in zijn doctoraat wil bestrijken en van de intrinsieke kwaliteit van het project, bedoeld in artikel 2, ' 1, wat betreft de specificiteit van de juridische c.q. criminologische vraagstelling en de systematische juridische c.q. criminologische benadering ervan.

3. een buitenlands diploma dat overeenkomstig artikel 60, 1e en 2e lid van het decreet van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap volledig gelijkwaardig is erkend met het academisch diploma van licentiaat in de rechten c.q. criminologische wetenschappen.

' 2. De Faculteitsraad kan, na advies van de facultaire doctoraatscommissie vrijstelling verlenen van het vereiste in ' 1, aan kandidaten die houder zijn van een buitenlands diploma waaruit een voldoende voorbereiding op het doctoraat in de rechten c.q. criminologische wetenschappen blijkt.

' 3. Om tot het doctoraat te worden toegelaten moet de kandidaat zich hebben onderscheiden tijdens de opleiding op grond waarvan hij wordt toegelaten. Van dit vereiste kan worden afgeweken na advies van de facultaire doctoraatscommissie, die o.m. rekening houdt met de publicaties van de kandidaat of met zijn beroepsloopbaan, waaruit een geschiktheid voor het wetenschappelijk onderzoek blijkt.

' 4. Het diploma van doctor in de rechten c.q. criminologische wetenschappen kan worden behaald ten vroegste twee jaar na het behalen van het diploma op grond waarvan de kandidaat tot het doctoraat wordt toegelaten.

 

Art. 2. ' 1. De aanvraag tot het doctoraat wordt vergezeld van een uitvoerige projectbeschrijving die omvat:

1. een beschrijving van het onderwerp van het proefschrift van minimum twee pagina's;

2. een Engelstalige abstract van ten hoogste honderdvijftig woorden;

3. de gehanteerde onderzoeksmethode(s);

4. een voorstel van inhoudsopgave;

5. een bibliografie;

6. de Nederlandse en de Engelse titel;

7.. een curriculum vitae;

8. een lijst van publicaties;

9. een afschrift diploma (en supplementen);

10. een voorstel voor doctoraatsopleiding;

11. de schriftelijke aanvaarding van het promotorschap;

12. het gezamenlijk voorstel van de kandidaat en zijn promotor voor de aanstelling van een lid van de begeleidingscommissie;

13. de plaats waar en het telefoonnummer waarop de kandidaat op de afgesproken datum en tijdstip bereikbaar is.

Elk voorstel moet binnengeleverd worden ten laatste veertien dagen voor de eerstvolgende vergadering van de Facultaire Doctoraatscommissie. Indien het voorstel later wordt ingediend, verschuift de aanvraag automatisch naar de agenda van de daaropvolgende vergadering. De doctorandus wordt gehoord, eerst alleen, vervolgens samen met de promotor.

Het bepaalde onder 1 tot 5 van het eerste lid van deze paragraaf is niet toepasselijk op aspiranten van het FWO. In voorkomend geval bezorgen zij een kopie van het door het FWO goedgekeurde project. Zij dienen hun project niet voor te stellen en worden daarover door de facultaire doctoraatscommissie niet gehoord.

' 2. Geen doctoraatsaanvraag kan worden goedgekeurd vooraleer een lid van het zelfstandig academisch personeel van de faculteit aanvaard heeft als promotor op te treden.

Indien daartoe aanleiding bestaat wordt desgewenst bijstand en advies verleend door het CALS. In voorkomend geval verleent het CALS ook advies aan het faculteitsbestuur over het opleggen van een predoctoraal jaar, de modaliteiten en de opvolging daarvan, alvorens een doctoraatsproject aan de facultaire doctoraatscommissie kan worden voorgelegd. Voor een doctoraatsaanvraag in de criminologische wetenschappen oefent het CALS alle voornoemde taken uit in nauw overleg met de coördinator van de doctoraatsopleiding Criminologische Wetenschappen.

 

Art. 3. De kandidaat die toegelaten wordt zal gedurende ten minste één jaar een residentie kiezen die een frequent contact tussen de promotor en de doctorandus mogelijk maakt. De facultaire doctoraatscommissie kan in overleg met de promotor de voorwaarden hiervoor vastleggen.

 

Art. 4. Het proefschrift moet oorspronkelijk zijn, een vruchtbare bijdrage leveren tot de juridische c.q. criminologische wetenschap, en de bekwaamheid aantonen van de kandidaat tot het zelfstandig beoefenen van de wetenschap. Benevens het proefschrift verdedigt de doctorandus drie bijgevoegde stellingen, waarvan er ten minste twee behoren tot domeinen van de juridische c.q. criminologische wetenschap die buiten het domein van het proefschrift vallen; één mag betrekking hebben op een onderwerp van algemene humane cultuur. In overleg met zijn promotor legt de doctorandus daartoe een lijst van zes bijgevoegde stellingen voor. De examencommissie kiest er met het oog op de openbare verdediging drie uit.

 

Art. 5. ' 1. Indien het diploma, op grond waarvan de kandidaat tot het doctoraat wordt toegelaten, in het Nederlands is opgesteld, wordt het proefschrift in het Nederlands opgesteld.

Op gemotiveerd advies van de facultaire doctoraatscommissie staat de Faculteitsraad de doctorandus toe het doctoraat op te stellen in een andere taal dan het Nederlands. Daartoe dient de doctorandus tijdig een omstandig gemotiveerd verzoek in bij de facultaire doctoraatscommissie, waarin hij aantoont dat het gebruik van de andere taal een wetenschappelijke meerwaarde oplevert, rekening houdende met onder meer het onderwerp van het doctoraat, het onderzoeksdomein en het relevante wetenschappelijke forum.

Indien zulke toelating wordt verleend, voegt de doctorandus een uitvoerige samenvatting in het Nederlands aan het proefschrift toe. Deze samenvatting maakt deel uit van het doctoraat en wordt er samen mee beoordeeld. De doctorandus publiceert, na de verdediging, een bijdrage in het Nederlands waarin de resultaten van zijn onderzoek worden samengevat of een deelaspect wordt voorgesteld of uitgediept.

' 2. De aanvrager die om een afwijking van de taalregeling verzoekt, dient hierbij het bewijs te leveren van voldoende kennis van de taal waarin het proefschrift zal worden geschreven. Het oordeel over de taalkennis hoort aan de doctoraatscommissie. Bij haar beoordeling geeft zij de voorkeur aan het bewijs door middel van gestandaardiseerde taaltesten; de commissie kan een dergelijke test opleggen, waarvoor zij het vereiste niveau vastlegt.

' 3. Indien het diploma, op grond waarvan de kandidaat tot het doctoraat wordt toegelaten, niet in het Nederlands is opgesteld, kan het proefschrift worden opgesteld in een andere taal. ' 1, lid 2 is van overeenkomstige toepassing. De facultaire doctoraatscommissie kan, vóór de goedkeuring van de doctoraatsaanvraag, van de kandidaat vragen dat hij op de in ' 2 beschreven wijze, het bewijs levert van zijn kennis van de gekozen taal.

' 4. Het proefschrift wordt in het openbaar en in het Nederlands verdedigd. De Faculteitsraad kan, wat de verdediging in het Nederlands betreft, toestaan dat hiervan, gelet op de talenkennis van de doctorandus of van de leden van de examencommissie, voor zoveel als nodig wordt afgeweken.

 

Art. 6. ' 1. De aanvraag wordt met gebruik van de daartoe voorziene formulieren gericht aan de decaan, onverminderd de toepassing van afwijkende regelingen die toepasselijk zijn op bijzondere categorieën van doctorandi. In voorkomend geval maakt de decaan de aanvraag overeenkomstig artikel 2, ' 2, van dit reglement voor behandeling en advies over aan het CALS, en in voorkomend geval tevens aan de coördinator van de doctoraatsopleiding Criminologische Wetenschappen.

De aanvraag bevat een afschrift van het diploma op grond waarvan de toelating wordt gevraagd, de projectbeschrijving bedoeld in art. 2, ' 1 en een curriculum vitae van de kandidaat.

' 2. De decaan legt de aanvraag voor onderzoek en advies voor aan de facultaire doctoraatscommissie.

De commissie adviseert de Faculteitsraad over:

- de toelating van de kandidaat;

- de goedkeuring van het onderwerp en de titel;

- de aanstelling van een promotor;

- de samenstelling van de begeleidingscommissie;

- de toelating om het doctoraat op te stellen in een andere taal dan het Nederlands.

' 3. De facultaire doctoraatscommissie brengt over alle dossiers die zij ontvankelijk acht advies uit bij de Faculteitsraad, die beslist.

De commissie brengt kort verslag uit over alle aanvragen die zij om formele redenen onontvankelijk acht.

 

Art. 7. De facultaire doctoraatscommissie bestaat uit een lid van het Faculteitsbestuur en

- twee leden van het voltijds zelfstandig academisch personeel uit de opleiding rechten;

- een lid van het voltijds zelfstandig academisch personeel uit de opleiding criminologische wetenschappen;           

- een lid van het zelfstandig academisch personeel dat deel uitmaakt van de Raad voor Internationale Betrekkingen;

- een vertegenwoordiger van het assisterend academisch personeel van de opleiding rechten;      

- een vertegenwoordiger van het assisterend academisch personeel van de opleiding criminologische wetenschappe          

De commissie wordt aangesteld door de Faculteitsraad voor een termijn van twee jaar. Zij verkiest haar voorzitter.

 

Art. 8. Voor de begeleiding van elke doctorandus wordt een begeleidingscommissie samengesteld, bestaande uit een vertegenwoordiger in de facultaire doctoraatscommissie van het zelfstandig academisch personeel uit de opleiding rechten c.q. criminologische wetenschappen, de promotor, en een derde lid van het zelfstandig academisch personeel, aan te wijzen door de voorgenoemden in overleg met de doctorandus. Is de vertegenwoordiger van een opleiding tevens promotor, dan wijst de facultaire doctoraatscommissie nog een derde lid aan.

De facultaire doctoraatscommissie waakt over de goede werking van de begeleidingscommissie. Telkens de begeleidingscommissie adviseert over de voortgang of afwerking van het doctoraat, wordt dit advies voor kennisneming bezorgd aan de facultaire doctoraatscommissie, alvorens aan het faculteitsbestuur te worden overgemaakt. Indien daartoe aanleiding bestaat, zal de facultaire doctoraatscommissie in eerste instantie het lid van de facultaire doctoraatscommissie horen dat zetelt in de begeleidingscommissie, en zonodig ook de andere leden van de begeleidingscommissie evenals de doctorandus. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de facultaire doctoraatscommissie een eigen advies toevoegen aan het advies van de begeleidingscommissie.

 

Art. 9. De rector stelt, op voorstel van de Faculteitsraad, die beslist na advies van de facultaire doctoraatscommissie, de examencommissie samen. Indien het doctoraat wordt opgesteld in een andere taal dan het Nederlands, draagt de Faculteitsraad ten minste één lid voor dat voornamelijk in die taal onderzoekswerk verricht.    

Voorzitter van de examencommissie is het oudste, tot de K.U.Leuven behorend lid ervan, voor zover dat niet de promotor is.

 

Art. 10. Ten vroegste zes weken en ten laatste drie maanden na de indiening van het, ten minste getypte, proefschrift, spreekt de examencommissie zich uit over de geschiktheid van de examinandus voor persoonlijk werk en voor wetenschappelijk onderzoek en beslist zij tot toelating tot de openbare verdediging, of, na de doctorandus ter verdediging ten aanzien van mogelijke opmerkingen en bezwaren gehoord te hebben tot toelating juxta modum of tot afwijzing van het proefschrift. De promotor deelt de genomen beslissing onmiddellijk aan de decaan mee.

 

Art. 11. De datum en het uur van de openbare verdediging worden, ten minste één maand vooraf, op initiatief van de promotor in gemeen overleg tussen de doctorandus en de examencommissie en na akkoord van de decaan, vastgelegd. Bij dit overleg kiest de examencommissie, in afwezigheid van de doctorandus, de drie door deze te verdedigen bijgevoegde stellingen. De promotor deelt deze keuze onmiddellijk aan de doctorandus mee.

Eveneens ten minste één maand voor de openbare verdediging overhandigt de doctorandus een exemplaar van de definitieve tekst van het proefschrift aan de decaan en aan elk lid van de examencommissie en bezorgt hij tien exemplaren ervan samen met de tekst van de drie te verdedigen stellingen, aan het secretariaat van het decanaat.

Ten laatste één week voor de openbare verdediging laat de doctorandus zich voor het examen inschrijven op de Studentenadministratie van de Universiteit en bezorgt hij het origineel exemplaar van het diploma op grond waarvan hij tot het doctoraat is toegelaten aan het secretariaat van het decanaat.

 

Art. 12. De openbare verdediging vindt plaats onder het voorzitterschap van de decaan.

De doctorandus zorgt ervoor, dat een samenvatting van het proefschrift en de tekst van de bijgevoegde stellingen bij de openbare verdediging ter beschikking gesteld worden van het publiek.

Bij de openbare verdediging blijft de toelichting van de doctorandus bij het proefschrift beperkt tot twintig minuten en blijven de interventies van elk lid van de examencommissie betreffende het proefschrift en de bijgevoegde stellingen samen met de onmiddellijk op elke interventie volgende antwoorden van de doctorandus, elk beperkt tot vijftien minuten.

Art. 13.  Reiskosten van de externe leden van de examencommissie worden door de faculteit, na goedkeuring door het faculteitsbestuur, terugbetaald tegen de forfaitaire kostprijs van een treinreis eerste klasse heen en terug, ongeacht het werkelijk gebruikte vervoermiddel, met een plafond van 1000 € (jaarlijks geïndexeerd conform art. 1728bis § 1 B.W.) per examencommissie.

Uitzonderlijk kan het faculteitsbestuur op gemotiveerd verzoek van de promotor een vergoeding toekennen voor andere dan reiskosten of een reisvergoeding boven voornoemd plafond. Onverminderd de motivering en de uitzonderlijke omstandigheden kan een vergoeding boven de 1000 € enkel worden toegekend indien het betrokken lid van de examencommissie ten behoeve van de faculteit minstens één doctoraatsseminarie houdt tijdens de periode dat hij/zij aanwezig is voor de werkzaamheden in het raam van het betrokken doctoraat.

Maximaal twee leden van de examencommissie kunnen de openbare verdediging bijwonen via videoconferentie. De kosten daarvan zijn ten laste van de promotor, behoudens toepassing van het vorige lid.