|
|
|
VOORWOORD
Het Documentatiecentrum Chinees Recht heeft sinds 1984 tientallen studenten materiaal en begeleiding verstrekt voor het maken van schriftelijke werken en thesissen. Na het emeritaat van de lesgever staat het materiaal nog steeds ter beschikking van belangstellenden. Het is evenwel opvallend dat de meeste belangstellenden slechts belang stellen in het economisch recht met in hun achterhoofd daarmee zaken te kunnen doen in China. Maar zoals het welslagen van een huwelijk niet wordt bepaald door de regels van het huwelijksrecht maar door de kwaliteiten van bruid en bruidegom, zo wordt ook het succes van een onderneming niet bepaald door de regels van het economisch recht maar door de kwaliteiten van de ondernemer en zijn klanten: hun zakeninstinct en krediet, het laatste zowel in de zin van kapitaalkrachtigheid als van betrouwbaarheid. Ware dat niet het geval dan zou iedere ondernemer een Bill Gates zijn. Waarmee niet gezegd wil zijn dat het economisch recht geen zin heeft, maar het is niet meer dan een uitgangspunt in het economisch handelen en trouwens erg saai. China, zoals België, verzuipt in de wetten, reglementen en besluiten allerhande, al is het natuurlijk waar dat ze hier en ginder voor veel werkgelegenheid zorgen: ambtenaren, notarissen, advocaten, deurwaarders, de politie, de staande en de zittende magistratuur, professoren, assistenten, computer- specialisten, bibliothecarissen en tutti quanti verdienen er een goede boterham aan, en bovendien houden ze duizenden jonge lieden van de straat. Over de Belgische wetten zwijg ik. Het amusante van de Chinese wetten is dat ze zo veranderlijk zijn, soms volgt de ene voorlopige wet de andere op, tot de heren-leiders-van-het-proletariaat/het volk een idee hebben van wat ze eigenlijk willen, en dikwijls is de practijk anders dan de wet. Het meest interessant zijn de partijstatuten, de grondwetten en de strafwetten. De partijstatuten en grondwetten omdat ze afhangen van de politieke ontwikkelingen binnen de Chinese Communistische Partij. De strafwetten omdat ze de Chinese ondeugden van de dag weergeven. Dat de practijk van het dagelijks leven dikwijls, zo niet gewoonlijk, afwijkt van de regels, is zowel deugd als ondeugd. Als algemene ondeugd verklaarbaar omdat China door zijn omvang en talrijke bevolking moeilijk regelbaar is - wordt zij aan de kaak gesteld door de onderzoekscommissies van de (door de partij overheerste) Chinese Nationale Volksvergadering, als bijzondere ondeugd wordt zij vervolgd door de (door de partij overheerste) gerechtelijke organen, soms als bepaalde misdrijven die grote schade of ergernis verwekken de spuigaten uitlopen, in samenloop met rechtstreeks door de partij opgezette campagnes, zoals de steeds terugkerende campagnes tegen corrupte overheidsdienaren en tegen smokkelaars. De toegift van die campagnes, in vergelijking met de normale vervolging, zijn de veel zwaardere straffen en de grote publiciteit die aan die zaken wordt gegeven via televisie, radio en kranten. Ze zijn ook het zoveelste bewijs dat de partij, vertegenwoordigster van het proletariaat/het volk, wetten nog steeds beschouwt als middel om haar wil op te leggen aan dat proletariaat/het volk, en rechtbank, parket en politie gebruikt als uitvoerders van haar wil. Onder die oppervlakte bewegen zich tegenstromingen van locale machtspolitiek, maar ook van een doelbewust streven naar een opener en eerlijker rechtspraak en vervolging. Het is ook een typisch Chinese deugd. Vanouds hechten Chinezen meer aan de practische dan aan de theoretische kant van de zaak, zoals Lin Yutang met een voorbeeld uitdrukt: het feit dat in het voor-communistische China de natuurwetenschappen niet tot ontwikkeling kwamen, is omdat Chinese geleerden bij het zien van dieren of planten zich voornamelijk afvroegen of ze eetbaar waren. Die voorkeur voor het practische vindt je eveneens in de filosofie, van Confucius tot Mao. En dit geldt ook voor de Chinese houding tegenover wetten. Die dienen op de eerste plaats de openbare orde te handhaven. De oude keizerlijke wetgeving gaf aan de ambtenaren richtlijnen in die zin, en daardoor bevatten de keizerlijke wetboeken voornamelijk strafrechtelijke bepalingen. Andere zaken werden door het gewoonterecht van de clans en het plaatselijk gewoonterecht geregeld. In de communistische wetgeving ligt nog zwaar de nadruk op het strafrecht, maar daarnaast worden de zaken die vroeger door het gewoonterecht werden geregeld, tot eind zeventiger jaren door de partij, d.w.z. de partijbonzen, en sinds begin tachtiger jaren meer en meer bij wet geregeld, onder het motto dat niet de man maar de wet de regels moet stellen. Die verandering was het enige goede dat de Grote Proletarisch Culturele Revolutie (GPCR) in China heeft bewerkstelligd. De economische modernisering en de opening naar het Westen heeft bovendien een sterke impuls gegeven aan de ontwikkeling van een modern wettenstelsel. Ten overvloede zij gezegd dat de Chinese wetten net zo Chinees zijn als de nederlandse en vlaamse Chinese restaurants: westers in Chinese opmaak. Op het einde van de Qing-dynastie en tijdens de republiek baseerde de wetgeving zich op het Japanse recht, dat zelf door het Duitse recht was geïnspireerd. In de communistische gebieden voor 1949 en in de eerste periode van de Volksrepubliek was de wetgeving geörienteerd op Rusland, na de GPCR op Japan, Taiwan, Europa, en Amerika. Daardoor behoort het Chinese wettenstelsel tot de familie van wetgevingen in de Romeinsrechtelijke traditie. Het behoort ook tot de Chineesrechtelijke traditie, wat dan voornamelijk in de strafwetten en de familierechtelijke wetten tot uiting komt. De wetten zijn specifiek Chinees in zoverre zij aangepast zijn aan specifiek-Chinese omstandigheden: enorm groot grondgebied, enorm grote bevolking, grote geografische en culturele verscheidenheid. De huidige Chinese machthebbers streven naar de omvorming van China tot een Chinese rechtstaat, maar hebben het nog steeds moeilijk met de gedachte de 'burgers' individuele rechten of vrijheden toe te staan, enerzijds omdat dit niet strookt met de communistische opvatting van wetten als instrument van de heersende klasse om de klassewil op te leggen aan het volk, anderzijds omdat de leiders bevreesd zijn dat dit tot wanorde en anarchie zou leiden en daarmee tot de ondergang van de partij en de staat. In de practijk evenwel zijn 'brave' burgers buiten de politieke arena tegenwoordig vrijer in hun doen en laten(1) dan ooit tevoren in de Chinese geschiedenis. En de toegang tot het internet, poort des verderfs van de macht, hergeeft ook minder 'brave' maar wel rijke burgers wat vrijheid.
|